ECLI:NL:RVS:2011:BQ9622
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.W. Mouton
- H. Borstlap
- E. Helder
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek handhaving verondieping Grote Veenderplas wegens ontbreken dreigend gevaar
Het college van dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Vallei en Eem wees op 10 december 2009 een verzoek van appellant af om bestuurlijke handhaving tegen de verondieping van de Grote Veenderplas. Appellant stelde dat de verondieping niet nuttig en noodzakelijk was en dat het storten van baggerspecie kwaliteitsklasse B het water zou verontreinigen. Het college baseerde zich op het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en een plan van aanpak waarin de verondieping werd gepresenteerd als een nuttige toepassing ter ontwikkeling van natuurwaarden.
De Commissie Verheijen bracht een rapport uit over verantwoord grootschalig toepassen van grond en baggerspecie, waarbij voor lopende projecten aanvullende afspraken werden aanbevolen. Appellant voerde aan dat het college de aanbevelingen van deze commissie onjuist toepaste en onvoldoende maatregelen nam om verontreiniging te voorkomen. Het college stelde dat met een Technisch uitvoeringsplan, opgesteld in overleg met betrokken partijen, een toetsbaar en handhaafbaar kader was gecreëerd dat voldoende bescherming biedt aan kwetsbare objecten.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het risico op verontreiniging aanvaardbaar is indien wordt voldaan aan het Bbk en het Technisch uitvoeringsplan. Er was geen grond om te concluderen dat het college de aanbevelingen van de Commissie Verheijen niet naleeft. Omdat geen klaarblijkelijk dreigend gevaar van overtreding is vastgesteld, was er geen reden tot handhaving. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot handhaving van de verondieping is ongegrond verklaard wegens ontbreken van klaarblijkelijk dreigend gevaar.