ECLI:NL:RVS:2011:BQ9637

Raad van State

Datum uitspraak
29 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201011936/1/H3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D. Roemers
  • W. van Hardeveld
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 DHWArt. 27, eerste lid, aanhef en onder a DHWArt. 2 Besluit eisen inrichtingen Drank- en HorecawetArt. 3-7 Besluit eisen inrichtingen Drank- en HorecawetArt. 4 Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering vergunning Drank- en Horecawet wegens onvoldoende hoogte horecalokaliteit

Het college van burgemeester en wethouders van Venlo heeft bij besluit van 12 februari 2010 een vergunning krachtens de Drank- en Horecawet geweigerd aan appellant. Deze vergunning was nodig voor het exploiteren van een horecabedrijf. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Roermond, die het beroep ongegrond verklaarde.

Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De kern van het geschil betrof de hoogte van een deel van de horecalokaliteit. Volgens artikel 4 van Pro het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet moet een horecalokaliteit een minimale hoogte van 2,40 meter hebben. In dit geval was een deel van de horecalokaliteit slechts 2,27 meter hoog. De rechtbank had geoordeeld dat het college op grond van artikel 27 van Pro de Drank- en Horecawet gehouden was de vergunning te weigeren.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank dit terecht en op goede gronden had gedaan. De dwingende formulering van de wettelijke bepalingen liet geen ruimte voor een ander oordeel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de vergunning bevestigd.

Uitspraak

201011936/1/H3.
Datum uitspraak: 29 juni 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Venlo,
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 28 oktober 2010 in zaak nr. 10/860 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Venlo.
1. Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 2010 heeft het college geweigerd [appellant] een vergunning krachtens de Drank- en Horecawet (hierna: DHW) te verlenen.
Bij besluit van 25 mei 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 januari 2011.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2011, waar [appellant] vertegenwoordigd door mr. M.N. van Geenen, advocaat te Venlo, en het college vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 10 van Pro de DHW dient de inrichting te voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur in het belang van de sociale hygiëne te stellen eisen.
Ingevolge artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, wordt een vergunning geweigerd indien niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 8 tot Pro en met 10 geldende eisen.
Ingevolge artikel 2 van Pro het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet voldoet, onverminderd het Bouwbesluit 2003, een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, aan de in artikelen 3 tot en met 7 van het onderhavige besluit vervatte bepalingen.
Ingevolge artikel 4 heeft Pro een horecalokaliteit een hoogte van ten minste 2,40 m van de vloer af gemeten.
2.2. Vaststaat dat een deel van de horecalokaliteit waar vergunning voor is gevraagd een hoogte heeft van 2,27 m van de vloer af gemeten. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college gelet op artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de DHW gehouden was de vergunning te weigeren. Hetgeen [appellant] in hoger beroep aanvoert biedt geen grond voor een ander oordeel gezien de dwingende formulering van deze bepaling.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.
w.g. Roemers w.g. Van Hardeveld
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011
312.