Uitspraak
201003099/1/T1/R2, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 16 februari 2010 te herstellen.
Raad van State
Het college van gedeputeerde staten van Utrecht verleende op 1 september 2009 een vergunning voor de uitbreiding van een melkveehouderij. Tegen het besluit van 16 februari 2010, waarin bezwaar ongegrond werd verklaard, stelde MOB beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het besluit van 16 februari 2010 niet deugdelijk was gemotiveerd en gaf het college opdracht dit te herstellen.
Het college nam vervolgens op 12 april 2011 een nieuw besluit waarin de vergunning opnieuw werd verleend, met een uitgebreide belangenafweging, waaronder ammoniakdepositie en natuurwaarden. MOB bracht hiertegen zienswijzen naar voren, stellende dat natuurwaarden onvoldoende waren meegewogen en dat het flankerend beleid onvoldoende onderbouwd was.
De Afdeling oordeelde echter dat het college in redelijkheid tot zijn belangenafweging was gekomen en dat het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond is. Het besluit van 16 februari 2010 wordt vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 7:12 Awb Pro. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan MOB.
Uitkomst: Het besluit van 16 februari 2010 wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering; het latere besluit van 12 april 2011 wordt gehandhaafd.