Uitspraak
200901817/1/H3. De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de weigering disproportioneel is.
Raad van State
De minister weigerde op 21 oktober 2009 de afgifte van een verklaring omtrent gedrag (vog) aan appellant, een taxichauffeur, vanwege justitiële gegevens binnen een terugkijktermijn van vijf jaar en eerdere antecedenten. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Appellant stelde hoger beroep in tegen het in stand laten van deze rechtsgevolgen.
De Raad voor de Rechtspraak overwoog dat de minister terecht het objectieve criterium toepaste dat justitiële gegevens binnen vijf jaar een risico voor de samenleving kunnen vormen bij het vervullen van de functie. Tevens is het subjectieve criterium juist toegepast door de minister, die de eerdere antecedenten buiten de terugkijktermijn meeweegt als indicatie van het gedrag van appellant. De rechtbank heeft dit oordeel niet zelf ingevuld, maar getoetst aan de beroepsgronden.
Appellant voerde aan dat de weigering disproportioneel is, mede omdat hij nooit klachten of berispingen had en zijn werkgever strenge regels hanteert. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat dit niet afdoet aan het oordeel dat de combinatie van recente en oudere justitiële gegevens een indicatie geeft dat appellant opnieuw met justitie in aanraking kan komen.
De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, waarmee de weigering van de vog blijft gehandhaafd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de verklaring omtrent gedrag aan appellant.