ECLI:NL:RVS:2011:BQ9659
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- W.D.M. van Diepenbeek
- H.J.J. Kalter
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vergunning reststoffen-energiecentrale Omrin
Het college van gedeputeerde staten van Fryslân verleende op 5 oktober 2010 aan Afvalsturing Friesland N.V. (Omrin) een vergunning voor het oprichten en in werking hebben van een reststoffen-energiecentrale te Harlingen. Tegen dit besluit stelde de stichting Afvaloven Nee beroep in en verzocht op 16 mei 2011 om een voorlopige voorziening.
Afvaloven Nee stelde dat de inrichting één geheel vormt met de nabijgelegen warmtekrachtcentrale en dat het besluit strijdig is met het bestemmingsplan. Tevens werd betoogd dat het gebruikte rekenmodel voor de verspreiding van rookgassen niet conform de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 is goedgekeurd, waardoor de vergunning niet betrouwbaar zou zijn. Ook werd gewezen op overschrijding van emissienormen en storingsuren, met mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid.
De voorzitter oordeelde dat deze complexe gronden nader onderzoek vereisen in de bodemprocedure en beperkte zich tot een belangenafweging voor schorsing. Uit het deskundigenbericht en aanvullend rapport van KEMA bleek dat aan de wettelijke emissie-eisen wordt voldaan en dat de overschrijding van storingsuren niet is aangetoond. Emissiemetingen en onderzoek van GGD Fryslân toonden geen risico's voor de volksgezondheid aan.
Gelet op deze feiten achtte de voorzitter het aannemelijk dat het in werking zijn van de inrichting geen onaanvaardbare milieugevolgen veroorzaakt. De financiële belangen van Omrin bij voortzetting van de activiteiten wogen mee. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de vergunning voor de reststoffen-energiecentrale van Omrin is afgewezen.