201012854/1/H2.
Datum uitspraak: 6 juli 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Den Haag,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2010 in zaak nr. 10/1489 in het geding tussen:
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand Utrecht.
Bij besluit van 3 december 2008 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.
Bij besluit van 15 februari 2010 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2010, hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2011, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam in dienst van de raad, is verschenen.
2.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, onderdeel 1, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend indien het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij voortzetting van het beroep of bedrijf voor zover het niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd, afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand.
2.2. [appellante] heeft een toevoeging om rechtsbijstand gevraagd ter zake van een vordering die voortvloeit uit de verkoop van een kapperszaak. De raad heeft de aanvraag afgewezen, omdat het rechtsbelang betrekking heeft op de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf.
2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de uitzonderingsituatie van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, onderdeel 1, van de Wrb zich hier niet voordoet. Daartoe voert [appellante] aan dat zij met het kapitaal dat zij zou ontvangen uit de door haar verkochte kapperszaak een nieuwe kapperszaak wil beginnen om daarmee haar beroep van kapper voort te zetten.
2.3.1. Aangezien [appellante] een beroep doet op de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, onderdeel 1, van de Wrb, ligt het op haar weg aannemelijk te maken dat die situatie zich voordoet. [appellante] betoogt in dat kader dat de voortzetting van de uitoefening van het zelfstandig beroep van kapper afhankelijk is van het resultaat van de gevraagde rechtsbijstand, omdat zij zonder de gelden die zij in de procedure waarvoor rechtsbijstand is gevraagd geen nieuwe kapperszaak kan openen.
[appellante] heeft haar kapperszaak verkocht, heeft vervolgens enige tijd in loondienst als kapper gewerkt en heeft enige tijd in het buitenland verbleven. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat [appellante] de uitoefening van het bedrijf heeft beëindigd en dat het geschil waarvoor rechtsbijstand is gevraagd een uitvloeisel is van die beëindiging. Dat [appellante] met het kapitaal dat zij uit de verkoop van haar kapperszaak zou ontvangen elders een nieuw bedrijf wilde starten, maakt dit niet anders, nu de uitzonderingssituatie van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, onderdeel 1 ziet op de voortzetting van een bedrijf.
De rechtbank is terecht tot dezelfde slotsom gekomen.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.
w.g. Offers w.g. Poot
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011