AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek nadeelcompensatie na weigering Drank- en Horecawet vergunning
De appellant exploiteerde een pizzeria die in 2000 voor zes maanden werd gesloten vanwege drugshandel. In 2001 weigerde het college hem een Drank- en Horecawet vergunning voor die locatie, een besluit dat onherroepelijk werd verklaard. In 2008 verzocht appellant om nadeelcompensatie voor inkomensschade als gevolg van deze weigering, stellende dat de schade buiten zijn normaal maatschappelijk risico viel.
Het college wees het verzoek in december 2008 af, stellende dat de schade binnen het ondernemersrisico viel en dat de vordering bovendien verjaard was. Dit werd in bezwaar en beroep bevestigd. De rechtbank oordeelde dat het risico van weigering van een vergunning inherent is aan het ondernemerschap en daarom geen compensatieplicht voor het college oplevert.
De Raad van State bevestigde deze uitspraak in hoger beroep, verwijzend naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat het risico dat een vergunning wordt geweigerd deel uitmaakt van het normale ondernemersrisico. Er was dan ook geen grond voor nadeelcompensatie. De Raad van State wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie bevestigd.
Uitspraak
201012612/1/H2.
Datum uitspraak: 6 juli 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Vaals,
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 november 2010 in zaak nr. 09/1664 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Vaals.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 december 2008 heeft het college een verzoek om nadeelcompenatie afgewezen.
Bij besluit van 4 augustus 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2010, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht, om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluit van 18 januari 2000 heeft de burgemeester een door [appellant] geëxploiteerde pizzeria aan de [locatie] te Vaals voor zes maanden gesloten vanwege de verkoop van drugs vanuit en in de directe nabijheid van de pizzeria.
Bij besluit van 25 september 2001 heeft het college geweigerd aan [appellant] een Drank- en Horecawet vergunning te verlenen voor de exploitatie van een pizzeria op dezelfde locatie. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Derhalve dient van de rechtmatigheid ervan, zowel wat betreft inhoud als wat betreft de wijze van tot stand komen, te worden uitgegaan.
2.2. Bij brief van 15 augustus 2008 heeft [appellant], voor zover thans van belang, om vergoeding van inkomensschade ten gevolge van het besluit van 25 september 2001 verzocht. Volgens [appellant] valt deze schade buiten zijn normaal maatschappelijk risico.
2.3. Bij besluit van 16 december 2008 heeft het college het verzoek primair afgewezen omdat de door [appellant] gestelde schade binnen zijn normaal maatschappelijk risico valt en subsidiair omdat de vordering tot schadevergoeding is verjaard. Bij besluit van 4 augustus 2009 heeft het college de afwijzing gehandhaafd, nu het college gehouden was de vergunning te weigeren op grond van artikel 27, eerste lid, van de Drank- en Horecawet en er derhalve geen ruimte voor nadeelcompensatie bestaat.
2.4. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de omstandigheid dat hij als gevolg van het besluit van 16 december 2008 geen pizzeria mocht exploiteren en daardoor schade heeft geleden, geen nadeel is dat het college zou moeten compenseren. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 24 februari 2010 in zaak nr. <a href=""http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=eIuO0aa%2FInA%3D"">200905976/1/H2</a> heeft overwogen, is er geen sprake van onevenredig, buiten het ondernemersrisico vallend nadeel omdat het risico dat een vergunning niet wordt verleend, omdat niet of niet meer aan de gestelde eisen wordt voldaan, verbonden is aan de bedrijfsvoering. In zoverre verschilt zijn positie niet van andere ondernemers die ook geconfronteerd kunnen worden met een weigering van een vergunning. Dat betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er geen grond voor compensatie van het geleden nadeel bestaat en het college het gestelde nadeel derhalve voor rekening van [appellant] mocht laten.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.