ECLI:NL:RVS:2011:BR0521
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.W.M. Bijloos
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen bij terbeschikkingstelling arbeidskrachten
In deze zaak ging het om het hoger beroep van een Poolse onderneming tegen een boete opgelegd door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De kern van het geschil betrof de vraag of de terbeschikkingstelling van arbeidskrachten aan een Nederlands bedrijf een dienstverrichting was die een tewerkstellingsvergunning vereiste, en of deze eis in strijd was met het EU-recht.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwees prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat bevestigde dat de eis van een tewerkstellingsvergunning niet in strijd is met de artikelen 56 en 57 van het VWEU. De Afdeling oordeelde vervolgens dat de dienstverrichting bestond uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten en dat de werknemers hun werkzaamheden onder toezicht en leiding van het Nederlandse bedrijf verrichtten.
De appellant voerde aan dat de verplaatsing van werknemers niet het doel van de dienstverrichting was en dat zij zelf de werkzaamheden coördineerde, maar dit werd verworpen. Ook het beroep op het beginsel van gunstigste wetgeving en op disproportionaliteit van de boete faalden. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en liet de boete in stand.
De zaak illustreert de toepassing van de Wav in combinatie met EU-recht en benadrukt de toetsing van boetes aan proportionaliteit en de beleidsregels van de minister.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt bevestigd.