ECLI:NL:RVS:2011:BR0814

Raad van State

Datum uitspraak
6 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201106895/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 13 PRVSArt. 14 PRVS
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen ontheffing bestemmingsplan Westerdel

Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland verleende op 17 maart 2011 een ontheffing op grond van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (PRVS) ten behoeve van het bestemmingsplan "Westerdel". Verzoeker maakte bezwaar tegen deze ontheffing en verzocht vervolgens op 17 juni 2011 om een voorlopige voorziening om de ontheffing te schorsen.

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de ontheffing voorafgaat aan het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en uitsluitend ten dienste daarvan is verleend. Tegen het vaststellingsbesluit kunnen geconcentreerde rechtsmiddelen worden ingezet waarbij de bezwaren tegen de ontheffing volledig aan de orde kunnen komen. Hierdoor is het niet nodig om een voorlopige voorziening te treffen tegen de ontheffing zelf.

Het verzoek om schorsing werd daarom afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast werd het college van gedeputeerde staten veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker en tot vergoeding van het betaalde griffierecht, omdat ten onrechte in het bestreden besluit was vermeld dat daartegen bezwaar kon worden gemaakt.

De uitspraak werd gedaan door voorzitter Scholten-Hinloopen en ambtenaar van staat Verbeek op 6 juli 2011.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de ontheffing voor het bestemmingsplan Westerdel wordt afgewezen.

Uitspraak

201106895/1/R1.
Datum uitspraak: 6 juli 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te Zuid-Scharwoude, gemeente Langedijk,
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij brief van 17 maart 2011 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan het college van burgemeester en wethouders van Langedijk ontheffing verleend op grond van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (hierna: PRVS) ten behoeve van het bestemmingsplan "Westerdel".
[verzoeker] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij brief, bij de rechtbank Haarlem ingekomen op 17 juni 2011, heeft [verzoeker] verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft het verzoek op 23 juni 2011 doorgezonden aan de Raad van State.
2. Overwegingen
2.1. De voorzitter doet uitspraak zonder zitting.
2.2. [verzoeker] verzoekt de ontheffing van de PRVS ten behoeve van het bestemmingsplan "Westerdel" te schorsen. Hij stelt dat de raad van de gemeente Langedijk binnenkort gaat beslissen over de vaststelling van het bestemmingsplan "Westerdel". Met de schorsing van de ontheffing beoogt hij de vaststelling van het bestemmingsplan, voordat de ontheffing onherroepelijk is, te voorkomen.
2.3. Het college van gedeputeerde staten heeft op grond van artikel 13, tweede lid en artikel 14, tweede lid, van de PRVS ontheffing verleend van het verbod dat een bestemmingsplan niet in nieuwe woningbouw en nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking in het landelijk gebied voorziet. De ontheffing is aangevraagd en verleend ten behoeve van het nog vast te stellen bestemmingsplan "Westerdel".
2.4. De voorzitter overweegt dat de beslissing tot verlening van de ontheffing in dit geval voorafgaat aan en uitsluitend strekt ten behoeve van het besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, waarvoor de ontheffing nodig is, kunnen geconcentreerd rechtsmiddelen worden aangewend. In het kader van die procedure kunnen de bezwaren tegen de verleende ontheffing ten volle aan de orde worden gesteld en zal kunnen worden beoordeeld of het college van gedeputeerde staten in redelijkheid de ontheffing heeft kunnen verlenen en of de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan gebruik heeft mogen maken van de verleende ontheffing. Daartoe zal het college van gedeputeerde staten in die procedure worden betrokken.
2.5. Onder deze omstandigheden bestaat er geen aanleiding ten aanzien van de verleende ontheffing als zodanig een voorlopige voorziening te treffen.
2.6. Het verzoek is kennelijk ongegrond en wordt om die reden afgewezen.
2.7. Nu in het bestreden besluit ten onrechte is vermeld dat daartegen bezwaar kan worden gemaakt, dient het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.
w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Verbeek
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011
388.