ECLI:NL:RVS:2011:BR1255
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens ontbreken redelijk vooruitzicht op uitzetting naar Somaliland
De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld bij besluit van 1 maart 2011. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees zijn verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om schadevergoeding.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat er voldoende zicht was op uitzetting binnen een afzienbare termijn. De minister had weliswaar verklaard dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) eind november 2010 een missie naar Noord-Somalië had uitgevoerd om de uitvoering van het Memorandum of Understanding (MoU) met Somaliland te hervatten, maar dit had nog niet geleid tot concrete resultaten. Er was geen enkele uitzetting naar Somaliland op grond van het MoU uitgevoerd en de minister kon geen inzicht geven in de inhoud van de contacten met de Somalilandse autoriteiten.
Daarom bestond er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering naar Somaliland. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. Tevens kende de Afdeling een vergoeding toe aan de vreemdeling en veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten.
De vrijheidsontnemende maatregel was inmiddels opgeheven, zodat een bevel tot opheffing achterwege kon blijven. De vergoeding werd toegekend over de periode van 1 maart 2011 tot 21 april 2011, de dag van opheffing van de bewaring.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling tegen de vreemdelingenbewaring wordt toegewezen wegens het ontbreken van redelijk vooruitzicht op uitzetting.