ECLI:NL:RVS:2011:BR2054
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen staandehouding en bewaring vreemdeling wegens vermoedelijk illegaal verblijf
De vreemdeling werd op 24 februari 2011 staandegehouden op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, nadat hij tijdens een controle in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) slechts een Turks identiteitsbewijs kon tonen dat zijn verblijfsrechtelijke positie niet aantoonde.
De rechtbank had geoordeeld dat de staandehouding onrechtmatig was, maar de Raad van State vernietigde dit oordeel omdat het verzoek om legitimatie te tonen rechtmatig was in het kader van de Wav en er een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond.
Verder werd de vreemdeling in bewaring gesteld wegens het ontbreken van geldige identiteitspapieren, geen vaste woon- of verblijfplaats, niet aanmelden bij de korpschef en eerdere uitzettingen. De Raad van State oordeelde dat de bewaring terecht was opgelegd omdat de vreemdeling de voorbereiding van zijn terugkeer of verwijdering ontweek of belemmerde.
De vreemdeling voerde aan dat hij een vaste verblijfplaats had en dat lichtere maatregelen mogelijk waren, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt. Ook het ontbreken van een vertrektermijn werd niet als grond voor vernietiging van de bewaring gezien.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de staandehouding en bewaring.