ECLI:NL:RVS:2011:BR2310
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.M. den Dulk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens niet naleven medewerkingsplicht bij arbeid vreemdelingen
De minister legde appellant een boete van €4.000 op wegens overtreding van artikel 18, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat appellant niet meewerkte aan het vaststellen van de identiteit van een persoon die arbeid verrichtte in zijn marktkraam met een vervalst identiteitsbewijs.
Appellant voerde aan dat hij niet als werkgever kon worden aangemerkt omdat niet was vastgesteld dat de werkzaamheden voor hem werden verricht, en dat de persoon mogelijk een Europeaan was of een zwerver, waardoor de boete niet terecht zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad van State bevestigt dit oordeel.
De Raad overweegt dat feitelijk werkgeverschap voldoende is en dat de werkzaamheden in de marktkraam duidelijk voor appellant werden verricht. De nationaliteit en status van de persoon zijn niet relevant voor de overtreding van de Wav. De boeteoplegging is daarmee terecht en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €4.000 wegens het niet naleven van de medewerkingsplicht door appellant.