ECLI:NL:RVS:2011:BR2370

Raad van State

Datum uitspraak
13 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201104899/1/H4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Brink
  • M.P.J.M. van Grinsven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 39c Wet bodembescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen instemming evaluatieverslag bodemsanering

Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland heeft op 17 maart 2011 ingestemd met het evaluatieverslag van de bodemsanering op een locatie te Rockanje. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht bij de Raad van State om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat een overeengekomen bedrag aan het Waterschap Hollandse Delta zou worden overgemaakt.

Verzoeker stelde dat de saneringswerkzaamheden nog niet waren afgerond vanwege restverontreiniging, terwijl in de notariële akte van kavelruil en levering was afgesproken dat betaling pas zou plaatsvinden na afronding van de sanering. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat het besluit tot instemming met het evaluatieverslag niet automatisch betekent dat de sanering is afgerond en dat restverontreiniging niet uitsluit dat het college op grond van de Wet bodembescherming heeft kunnen instemmen.

Na afweging van de belangen concludeerde de voorzitter dat er geen aanleiding was om de voorlopige voorziening toe te kennen. Ook werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het verzoek om voorlopige voorziening werd derhalve afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot instemming met het evaluatieverslag bodemsanering is afgewezen.

Uitspraak

201104899/1/H4.
Datum uitspraak: 13 juli 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te Rockanje, gemeente Westvoorne,
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 maart 2011 heeft het college ingestemd met het verslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming, opgemaakt van de bodemsanering op de [locatie] te Rockanje (hierna: het evaluatieverslag).
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 april 2011, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 juni 2011.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2. Met het verzoek beoogt [verzoeker] te voorkomen dat een in een notariële akte van kavelruil en levering van 10 september 2009 nader overeengekomen bedrag naar het Waterschap Hollandse Delta overgaat. In dit verband wijst hij erop dat in de notariële akte met het Waterschap Hollandse Delta is overeengekomen dat het desbetreffende bedrag overgaat op het moment dat de saneringswerkzaamheden ten aanzien van de ondergrond van een ligboxenstal op de [locatie] te Rockanje zijn afgerond. Volgens hem zijn de saneringswerkzaamheden echter nog niet afgerond, omdat sprake is van restverontreiniging.
2.3. In dit geding gaat het om het besluit tot instemming met het evaluatieverslag. In de notariële akte van kavelruil en levering van 10 september 2009 is niet vermeld dat de saneringswerkzaamheden zijn afgerond op het moment dat met het evaluatieverslag is ingestemd. Hierdoor staat niet vast dat het besluit tot instemming met het evaluatieverslag de gevolgen heeft die [verzoeker] beoogt te voorkomen. Voorts betekent de omstandigheid dat, zoals hij aanvoert, nog sprake is van restverontreiniging, niet zonder meer dat het college niet op grond van artikel 39c, tweede lid, van de Wet bodembescherming heeft kunnen instemmen met het evaluatieverslag.
2.4. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter na afweging van de betrokken belangen aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.
w.g. Brink w.g. Van Grinsven
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011
462-584.