ECLI:NL:RVS:2011:BR3188

Raad van State

Datum uitspraak
18 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201103843/2/V6
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WavArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boete Wet arbeid vreemdelingen

De minister legde verzoekster op 28 juli 2009 een boete van €56.000,- op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Verzoekster maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard op 25 februari 2011.

Verzoekster vroeg vervolgens bij de Raad van State om een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van het boetebesluit op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. Zij stelde dat de inning van de boete de continuïteit van haar onderneming ernstig zou bedreigen vanwege een negatief eigen vermogen en bedrijfsresultaat in 2009.

De Raad van State overwoog dat de overgelegde stukken, waaronder een recente accountantsverklaring, geen aannemelijk bewijs bevatten voor onomkeerbare financiële gevolgen zoals faillissement. Bovendien had verzoekster geen betalingsregeling gezocht. Daarom ontbrak het spoedeisend belang en werd het verzoek afgewezen.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en een ambtenaar van staat op 18 juli 2011.

Uitkomst: Het verzoek om opschorting van de boete wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

201103843/2/V6.
Datum uitspraak: 18 juli 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 februari 2011 in zaak nr. 10/1933 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2009 heeft de minister [verzoekster] een boete opgelegd van € 56.000,00 wegens overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
Bij besluit van 9 april 2010 heeft de minister het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 februari 2011, verzonden op 28 februari 2011, heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2011, hoger beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2011, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 juli 2011, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door haar [directeur], bijgestaan door mr. P.J.M. Boomaars, advocaat te Breda, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit tot het opleggen van de boete worden opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist.
2.2. Aan het verzoek heeft [verzoekster] ten grondslag gelegd dat, indien de haar opgelegde boete hangende hoger beroep wordt geïnd, de continuïteit van haar onderneming ernstig in gevaar komt. Hiertoe voert zij aan dat, samengevat weergegeven, het boekjaar 2009 is afgesloten met een negatief eigen vermogen en een negatief bedrijfsresultaat en dat ook de huidige financiële situatie betaling van de boete niet toelaat.
De door [verzoekster] in dit verband overgelegde stukken, waaronder het jaarbericht over 2009 en een verklaring van haar accountant van 5 juli 2011, vormen geen grond voor het oordeel dat aannemelijk moet worden geacht dat indien de rechtsgevolgen van het boetebesluit niet worden geschorst, sprake zal zijn van onomkeerbare gevolgen, zoals een faillissement. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit voormelde recente accountantsverklaring blijkt dat de financiële positie van [verzoekster] aanzienlijk is verbeterd ten opzichte van 2009. Bovendien heeft [verzoekster] geen pogingen ondernomen om een betalingsregeling te treffen voor betaling van de boete. Onder deze omstandigheden ontbeert het verzoek het voor het inwilligen daarvan noodzakelijke spoedeisende belang en bestaat voor het treffen van de gevraagde voorziening geen aanleiding. Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. den Dulk, ambtenaar van staat.
w.g. Troostwijk w.g. Den Dulk
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2011
565.