ECLI:NL:RVS:2011:BR3188
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H. Troostwijk
- A.M. den Dulk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boete Wet arbeid vreemdelingen
De minister legde verzoekster op 28 juli 2009 een boete van €56.000,- op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Verzoekster maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard op 25 februari 2011.
Verzoekster vroeg vervolgens bij de Raad van State om een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van het boetebesluit op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. Zij stelde dat de inning van de boete de continuïteit van haar onderneming ernstig zou bedreigen vanwege een negatief eigen vermogen en bedrijfsresultaat in 2009.
De Raad van State overwoog dat de overgelegde stukken, waaronder een recente accountantsverklaring, geen aannemelijk bewijs bevatten voor onomkeerbare financiële gevolgen zoals faillissement. Bovendien had verzoekster geen betalingsregeling gezocht. Daarom ontbrak het spoedeisend belang en werd het verzoek afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en een ambtenaar van staat op 18 juli 2011.
Uitkomst: Het verzoek om opschorting van de boete wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.