AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging terugvordering zorg- en huurtoeslag op basis van verzamelinkomen 2008
Appellante maakte bezwaar tegen de besluiten van de Belastingdienst waarin haar zorgtoeslag en huurtoeslag over 2008 werden vastgesteld op lagere bedragen dan de reeds uitgekeerde voorschotten, met terugvordering van de teveel betaalde bedragen. De Belastingdienst baseerde deze terugvordering op het verzamelinkomen zoals vastgesteld in de aanslag inkomstenbelasting 2008, dat hoger was dan het inkomen waarop de voorschotten waren gebaseerd.
De rechtbank Amsterdam verklaarde de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat de Belastingdienst ten onrechte het bruto verzamelinkomen gebruikte in plaats van haar netto-inkomen, omdat zij alleen dat laatste bedrag daadwerkelijk ontvangt.
De Raad van State overwoog dat op grond van artikel 7 enPro 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) het verzamelinkomen uit de aanslag inkomstenbelasting de juiste grondslag is voor de vaststelling van de toeslagen. Zelfs als het verzamelinkomen in de aanslag te hoog zou zijn vastgesteld, had appellante bezwaar moeten maken tegen die aanslag bij de Inspecteur van de Belastingdienst. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
201011741/1/H2.
Datum uitspraak: 27 juli 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2010 in zaken nrs. 10/280 en 10/570 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Belastingdienst/Toeslagen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 oktober 2009 heeft de Belastingdienst de zorgtoeslag van [appellante] over 2008 vastgesteld op een bedrag van € 292,00 en een bedrag van € 261,00 aan uitbetaalde voorschotten teruggevorderd.
Bij besluit van 9 oktober 2009 heeft de Belastingdienst de huurtoeslag van [appellante] over 2008 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 1.320,00 aan uitbetaalde voorschotten teruggevorderd.
Bij afzonderlijke besluiten, beide van 11 december 2009, heeft de Belastingdienst de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 12 oktober 2010, waarvan afschrift van het proces-verbaal is verzonden op 29 oktober 2010, heeft de rechtbank de door [appellante] tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2010, hoger beroep ingesteld.
De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Bij brieven van 25 maart 2011 en 26 maart 2011 hebben partijen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), zoals die luidde ten tijde van belang, wordt ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, is het toetsingsinkomen, indien over het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld, het verzamelinkomen, zoals dat in die aanslag is of wordt opgenomen of zoals dat bij beschikking is of wordt vastgesteld.
2.2. De Belastingdienst heeft de huur- en zorgtoeslag van [appellante] over 2008 lager vastgesteld dan aan voorschotten was verleend, omdat het verzamelinkomen in de aanslag inkomstenbelasting over 2008 door de Inspecteur van de Belastingdienst op een hoger bedrag is vastgesteld dan het bedrag waarvan bij de verlening van de voorschotten was uitgegaan.
2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst bij het vaststellen van haar huur- en zorgtoeslag over 2008 ten onrechte van haar bruto-inkomen als verzamelinkomen is uitgegaan, waar deze dienst met haar netto-inkomen had moeten rekenen omdat zij dat bedrag ook daadwerkelijk ontvangt.
2.3.1. Gelet op artikel 7, eerste lid, en artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir, is de rechtbank terecht tot de slotsom gekomen dat de Belastingdienst het verzamelinkomen van [appellante] terecht ten grondslag heeft gelegd aan de berekening van de draagkracht op basis waarvan de toeslagen voor [appellante] over 2008 worden vastgesteld.
Zelfs al zou bij het verzamelinkomen in de aanslag inkomstenbelasting van een te hoog bedrag zijn uitgegaan, dan nog had de Belastingdienst dit verzamelinkomen moeten gebruiken voor de vaststelling van de huur- en zorgtoeslag over 2008. In dat geval had [appellante] bij de Inspecteur van de Belastingdienst bezwaar moeten maken tegen de aanslag inkomstenbelasting.
Het betoog faalt.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.