ECLI:NL:RVS:2011:BR3212

Raad van State

Datum uitspraak
27 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201012267/1/H1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • P. Lodder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 planregels bestemmingsplan De Krim
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing handhavingsverzoek tegen bewoning pand in strijd bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg wees een verzoek af om handhavend op te treden tegen de bewoning van een pand te De Krim. Het perceel is bestemd als woongebied met de aanduiding dat detailhandel is toegestaan. De appellant stelde dat het gebruik van een deel van het pand voor woondoeleinden in strijd is met het bestemmingsplan, met name het gebruik van bedrijfsruimte op de begane grond.

De rechtbank oordeelde dat het gebruik van het pand als woning niet in strijd is met het bestemmingsplan, omdat detailhandel toegestaan is maar niet verplicht, en het gebruik als woning zonder detailhandel niet verboden is. De appellant ging hiertegen in beroep bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. Hiermee blijft het besluit van het college in stand dat het handhavingsverzoek afwijst.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201012267/1/H1.
Datum uitspraak: 27 juli 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], beiden wonend te De Krim, gemeente Hardenberg, (hierna in enkelvoud: [appellant]),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle (hierna: de rechtbank) van 22 november 2010 in zaak nr. 09/2163 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg (hierna: het college).
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 april 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de bewoning van het pand op het perceel [locatie] (hierna: het perceel), te De Krim, afgewezen.
Bij besluit van 20 oktober 2009 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2010, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juni 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. Maakal, advocaat te Heerenveen, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.M. Nijenhuis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Krim" rust op het perceel de bestemming "Woongebied" met als nadere aanduiding "detailhandel toegestaan".
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planregels zijn de op de plankaart voor woongebied aangewezen gronden bestemd voor:
a. wonen;
en tevens voor:
h. detailhandel, uitsluitend voor zover de gronden zijn aangegeven met "detailhandel".
2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik van het pand als woning in strijd is met het bestemmingsplan. Hij stelt dat, zowel de bovenverdieping van het pand [locatie], als een deel van de op de begane grond gelegen bedrijfsbebouwing, in gebruik is voor woondoeleinden. Volgens hem is in elk geval het gebruik van het op de begane grond gelegen bedrijfsgedeelte, met de aanduiding "detailhandel" in strijd met het bestemmingsplan. Anders zou de wijzigingsbevoegdheid opgenomen in artikel 3, zesde lid, van de planregels, overbodig zijn, aldus [appellant].
2.2.1. Het pand op het perceel wordt als woning gebruikt. De rechtbank heeft dit gebruik terecht niet in strijd met de aan deze gronden toegekende bestemming geacht.
Dat ingevolge het bestemmingsplan op het perceel tevens detailhandel is toegestaan, betekent niet dat het pand voor detailhandel dient te worden gebruikt.
Dat ingevolge artikel 3, zesde lid, van de planregels de aanduiding "detailhandel toegestaan" met inachtneming van de overige bepalingen kan vervallen, betekent evenmin dat het gebruik als woning, zonder dat detailhandel plaatsvindt, in strijd is met het bestemmingsplan.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.
w.g. Loeb w.g. Lodder
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011
17-702.