ECLI:NL:RVS:2011:BR3251

Raad van State

Datum uitspraak
27 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201009027/1/H2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P.A. Offers
  • R.F.J. Bindels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:32 AwbArt. 5:35 AwbArt. 4:104 AwbArt. 125 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens verjaring dwangsom herplantplicht

Het college van burgemeester en wethouders van De Bilt legde appellant op 21 april 2009 een last onder dwangsom op wegens het zonder vergunning kappen van twee bomen, met de verplichting deze te herplanten. Appellant maakte bezwaar, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond.

Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Tijdens de procedure bleek dat appellant niet aan de last onder dwangsom had voldaan en het college niet tot invordering van de dwangsom was overgegaan. De bevoegdheid tot invordering was inmiddels verjaard op grond van artikel 5:35 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad van State oordeelde dat het college geen nieuw handhavingsbesluit kon nemen als uitvoering van het eerdere besluit en dat appellant daardoor geen belang meer had bij het hoger beroep. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van de invordering van de dwangsom.

Uitspraak

201009027/1/H2.
Datum uitspraak: 27 juli 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Groenekan, gemeente De Bilt,
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 augustus 2010 in zaak nr. 09/3542 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van De Bilt.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 april 2009 heeft het college aan [appellant] onder oplegging van een last onder dwangsom een herplantplicht opgelegd.
Bij besluit van 2 oktober 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 augustus 2010, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2010, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd hebben [appellant] en het college nadere informatie verschaft.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Bij brieven van 11 februari 2011 en 13 april 2011 hebben partijen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Ingevolge artikel 5:35 verjaart Pro de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom in afwijking van artikel 4:104 door Pro verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd.
Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.
Ingevolge het tweede lid wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.
2.2. Bij brief van 22 januari 2009 heeft het college [appellant] medegedeeld voornemens te zijn hem, onder oplegging van een last onder dwangsom, een herplantplicht op te leggen, omdat hij zonder een daartoe vereiste vergunning een beuk en een esdoorn op zijn perceel heeft gekapt.
Bij besluit van 21 april 2009 heeft het college aan [appellant], onder oplegging van een last onder dwangsom, een herplantplicht opgelegd, inhoudende dat [appellant] voor 31 december 2009 twee bomen aan de entree van zijn woning dient te herplanten.
Het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar is door het college bij besluit van 2 oktober 2009 ongegrond verklaard.
2.3. Uit door de Afdeling gevraagde informatie van partijen is gebleken dat [appellant] niet aan de last onder dwangsom heeft voldaan en het college niet tot invordering van de verbeurde dwangsom is overgegaan. De invordering van de verbeurde dwangsom is niet meer mogelijk, omdat het college daartoe op grond van artikel 5:35 van Pro de Awb niet meer bevoegd is. Er kan geen uitvoering meer worden gegeven aan het besluit van 21 april 2009. Anders dan het college betoogt kan het nemen van een nieuw handhavingsbesluit niet als uitvoering van dat besluit worden beschouwd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2010 in zaak nr.
200907952/1/H1).
Nu van enig ander belang bij het hoger beroep niet is gebleken, heeft [appellant] geen belang meer bij het inhoudelijk beoordelen van zijn hoger beroep.
2.4. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.
w.g. Offers w.g. Bindels
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011
85-630.