Art. 2.1 WaboArt. 2.3 BorArt. 3 BorArt. 5 Bijlage II Bor
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging handhavingsbesluit bestuursdwang wegens illegale bouwvoorzieningen in schuur
Het college van burgemeester en wethouders heeft op 9 september 2010 bestuursdwang opgelegd aan appellant A om een schuur op een perceel in Maasland binnen acht weken terug te brengen in de staat zoals toegestaan door de bouwvergunning uit 1966. Dit besluit volgde op constateringen dat zonder vergunning binnenmuren, sanitaire voorzieningen, een keuken, centrale verwarming, waterleiding, een olietank en een sceptictank waren aangebracht.
Appellanten voerden aan dat de wijzigingen niet vergunningplichtig waren onder de nieuwe Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor), omdat de voorzieningen voldeden aan de uitzonderingen daarin. De Raad oordeelde echter dat door de voorzieningen de schuur bouwkundig als woning moest worden aangemerkt, waardoor het aantal woningen toenam en de uitzonderingen niet van toepassing waren.
De Raad stelde vast dat het college terecht handhavend optrad, omdat er geen concreet zicht op legalisering bestond en het handhaven niet onevenredig was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het bestuursdwangbesluit bevestigd.
Uitspraak
201012096/1/H1.
Datum uitspraak: 27 juli 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A], wonend te [woonplaats], en [appellant B], wonend te [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 december 2010 in zaken nrs. 10/7786 en 10/8611 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland.
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 september 2010 heeft het college [appellant A] onder oplegging van bestuursdwang gelast de schuur op het perceel [locatie] te Maasland binnen acht weken na verzending van het besluit terug te brengen in de oude staat, dat wil zeggen in overeenstemming te brengen met de verleende bouwvergunning uit 1966.
Bij uitspraak van 9 december 2010, verzonden op 10 december 2010, heeft de voorzieningenrechter het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2010, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2011, waar [appellant A], bijgestaan door mr. M.R. Plug, advocaat te Delft, het college, vertegenwoordigd door mr. P.C. Kaiser, werkzaam bij de gemeente, en [persoon], zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluit van 8 februari 1966 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Maasland bouwvergunning verleend voor de als sorteerruimte te gebruiken schuur. Tijdens een controle op 27 september 2006 heeft het college geconstateerd dat in de schuur binnenmuren, sanitaire voorzieningen en een keuken zijn geplaatst. Voorts zijn centrale verwarming en een waterleiding aangelegd, is naast de schuur een olietank geplaatst en is een sceptic tank ingegraven.
2.2. Vast staat dat de voorzieningen zonder de daartoe vereiste bouwvergunning zijn aangebracht, zodat het college bevoegd was ter zake handhavend op te treden.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.3. [appellanten] betogen dat de voorzieningenrechter, in navolging van het college, niet heeft onderkend dat concreet zicht op legalisering bestaat, aangezien de wijzigingen die aan de schuur zijn aangebracht, niet omgevingsvergunningplichtig zijn als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), die op 1 oktober 2010 in werking is getreden. Hiertoe voeren zij aan dat de wijzigingen voldoen aan de vereisten die zijn neergelegd in artikel 2.1, derde lid van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 2.3, eerste lid van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) en artikel 3, aanhef en onder 7, van bijlage II bij het Bor, dat eveneens op 1 oktober 2010 in werking is getreden.
2.3.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.
Ingevolge het derde lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën van gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.
Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van het Bor, is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën van gevallen in artikel 3 inPro samenhang met artikel 5 vanPro bijlage II.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van bijlage II bij het Bor, voor zover thans van belang, blijft bij de toepassing van artikel 3 hetPro aantal woningen gelijk.
2.3.2. Uit de omstandigheid dat door het aanbrengen van de voorzieningen aan de schuur deze thans in bouwkundige zin als een woning moet worden aangemerkt, volgt dat het aantal woningen met één is toegenomen en derhalve niet gelijk is gebleven. Reeds daarom dient te worden geoordeeld dat niet wordt voldaan aan artikel 2.3, eerste lid, van het Bor, zodat niet staande kan worden gehouden dat voor het aanbrengen van de voorzieningen geen omgevingsvergunning is vereist. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat het college terecht het standpunt heeft ingenomen dat in zoverre geen concreet zicht op legalisering bestaat van de zonder de daartoe vereiste bouwvergunning aan de schuur aangebrachte voorzieningen.
Het betoog faalt.
2.4. Het betoog van [appellanten] dat ingevolge de overgangsrechtelijke bepalingen van het bestemmingsplan het bouwwerk gedeeltelijk mag worden vernieuwd of veranderd, doet niet af aan de omstandigheid dat de daaraan reeds aangebrachte voorzieningen zonder de daartoe vereiste bouwvergunning zijn gerealiseerd. Derhalve kan niet staande worden gehouden dat handhavend optreden daartegen zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college daarvan had behoren af te zien. De voorzieningenrechter is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.
Het betoog faalt.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.