ECLI:NL:RVS:2011:BR3797

Raad van State

Datum uitspraak
26 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201006835/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • R. van der Spoel
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 8:54 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onjuiste beoordeling plausibiliteit vermoedens

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie op 2 februari 2009 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris onjuist had gehandeld door de plausibiliteit van het vermoeden van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer te wachten stond te beoordelen binnen het kader van de geloofwaardigheid van het asielrelaas, terwijl dit had moeten gebeuren binnen de beoordeling of de feiten en omstandigheden als rechtsgrond voor verlening van de verblijfsvergunning kwalificeren. Hierdoor was het beoordelingskader onjuist toegepast.

De rechtbank had dit niet onderkend en had ten onrechte geoordeeld dat het vermoeden van de vreemdeling dat hij bij terugkeer vermoord zou worden, niet realistisch was. De Afdeling stelde dat bij de toetsing door de rechter geen terughoudendheid geldt ten aanzien van het realiteitsgehalte van dergelijke vermoedens.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 2 februari 2009. Desondanks bepaalde zij met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, omdat het asielrelaas onvoldoende zwaarwegend was. Tevens veroordeelde zij de minister tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand.

Uitspraak

201006835/1/V3.
Datum uitspraak: 26 juli 2011
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 29 juni 2010 in zaak nr. 09/3800 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 februari 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 29 juni 2010, verzonden op 1 juli 2010, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 juli 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De minister van Justitie heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de eerste en tweede grief klaagt de vreemdeling, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vermoedens die de vreemdeling aan de geloofwaardig geachte gebeurtenissen ontleent ongeloofwaardig zijn en dat het asielrelaas van de vreemdeling daardoor ongeloofwaardig is.
Daartoe betoogt de vreemdeling dat nu het asielrelaas en de daarin gestelde feiten en omstandigheden geloofwaardig zijn geacht, de staatssecretaris niet heeft kunnen vaststellen dat het aan die feiten en omstandigheden ontleende vermoeden over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat ongeloofwaardig is.
2.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 februari 2010 in zaak nr. 200906650/1/V2, www.raadvanstate.nl) geldt dat, indien en voor zover de staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat de door een vreemdeling in zijn asielrelaas gestelde feiten en omstandigheden met inbegrip van diens eventuele vermoedens die deel uitmaken van gebeurtenissen die volgens het asielrelaas hebben plaatsgevonden geloofwaardig worden geacht, en in zoverre als vaststaande feiten en omstandigheden moeten worden aangenomen, het vervolgens aan hem is om te beoordelen of deze feiten en omstandigheden kwalificeren als rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). In het kader van die beoordeling vindt, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2009 in zaak nr. 200805962/1 (www.raadvanstate.nl), de beoordeling plaats van de plausibiliteit van de vermoedens van die vreemdeling over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat. Van die beoordeling maakt voorts deel uit de beantwoording van de vraag of, indien en voor zover de staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat de vermoedens van die vreemdeling over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat plausibel worden geacht, deze voldoende zwaarwegend zijn voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning.
Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen in voormelde uitspraak van 17 februari 2010 is geen plaats voor terughoudendheid bij de toetsing door de rechter van het standpunt van de staatssecretaris omtrent het realiteitsgehalte van de door die vreemdeling aan de niet ongeloofwaardig geachte feiten en omstandigheden ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer te wachten staat.
2.1.2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris zich in het besluit van 2 februari 2009 in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen geloofwaardig worden geacht en de vermoedens die de vreemdeling aan de gebeurtenissen ontleent ongeloofwaardig worden geacht, dat om die reden geen positieve overtuigingskracht van het asielrelaas uitgaat en het relaas daardoor als ongeloofwaardig wordt aangemerkt.
Het vermoeden van de vreemdeling dat hij zal worden vermoord, omdat hij heeft geweigerd de inhoud van twee cd's waarop terroristische zaken bleken te staan op het internet te zetten, betreft niet zijn interpretatie van de toedracht van de gebeurtenissen die volgens het asielrelaas hebben plaatsgevonden, maar zijn op die geloofwaardig geachte gebeurtenissen gebaseerde vermoeden omtrent hetgeen hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat. De staatssecretaris was derhalve gehouden de plausibiliteit van dat vermoeden te beoordelen in het kader van de beantwoording van de vraag of de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden als rechtsgrond voor verlening van voormelde verblijfsvergunning kwalificeren.
De staatssecretaris heeft het vermoeden van de vreemdeling over hetgeen hem in het land van herkomst te wachten staat beoordeeld in het kader van de geloofwaardigheid van het asielrelaas en heeft aldus een onjuist beoordelingskader gehanteerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Door te overwegen dat de staatssecretaris in redelijkheid heeft kunnen vaststellen dat de vrees van de vreemdeling om te worden vermoord realiteitszin ontbeert, heeft de rechtbank evenmin onderkend dat bij de rechterlijke toetsing van dit standpunt van de staatssecretaris geen plaats is voor terughoudendheid. De grieven slagen.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van
2 februari 2009 van de staatssecretaris, gelet op het voorgaande, alsnog gegrond verklaren. Het besluit dient te worden vernietigd.
2.3. De Afdeling ziet aanleiding te bezien of uit een oogpunt van finale geschilbeslechting reden bestaat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Zij overweegt hiertoe als volgt.
2.3.1. In het besluit van 2 februari 2009 en het daarin ingelaste voornemen heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat het vermoeden van de vreemdeling dat hij vanwege zijn weigering om de inhoud van twee cd's op het internet te zetten, zal worden vermoord, niet reëel wordt geacht. Daartoe heeft de staatssecretaris redengevend geacht dat de vreemdeling nadat de tekst op het rolluik van zijn winkel was geschreven en hij een dreigtelefoontje had ontvangen nog een week in de woning van zijn ouders heeft verbleven alvorens uit Irak te vertrekken en in die periode geen problemen heeft ondervonden, terwijl de vreemdeling via zijn broer heeft vernomen dat zijn ouders, die na zijn vertrek in die woning achterbleven, evenmin problemen hebben ondervonden.
Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank blijkt dat de minister aldaar heeft betoogd dat indien hij de plausibiliteit van voormeld vermoeden van de vreemdeling over hetgeen hem bij terugkeer te wachten staat niet had beoordeeld in het kader van de geloofwaardigheid van het asielrelaas, maar in het kader van de beantwoording van de vraag of de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden als rechtsgrond voor verlening van voormelde verblijfsvergunning kwalificeren, hij het asielrelaas van de vreemdeling onvoldoende zwaarwegend acht.
Gelet op voormelde inhoud van het besluit en het verhandelde ter zitting bij de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het vermoeden van de vreemdeling te worden vermoord realiteitszin mist en heeft hij het asielrelaas van de vreemdeling terecht onvoldoende zwaarwegend geacht. Dat de vreemdeling stelt zijn simkaart te hebben weggegooid waardoor hij telefonisch niet langer kon worden bedreigd maakt dat niet anders, omdat hij noch zijn ouders na de bedreiging nog problemen hebben ondervonden.
Nu de inhoud van het besluit van 2 februari 2009, gelezen in samenhang met het verhandelde ter zitting, gezien het vorenoverwogene in zoverre de rechterlijke toets kan doorstaan, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
2.4. De minister voor Immigratie en Asiel dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 29 juni 2010 in zaak
nr. 09/3800;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie van 2 februari 2009, kenmerk 0805.20.1218;
V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
VI. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.081,00 (zegge: duizendeenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van staat.
w.g. Troostwijk
voorzitter w.g. Graat
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2011
307-699.
Verzonden: 26 juli 2011
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser