ECLI:NL:RVS:2011:BR3987

Raad van State

Datum uitspraak
28 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201107396/1/H2 en 201107396/2/H2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • R.J.R. Hazen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 120 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State in hoger beroep tegen schadevergoeding na asielprocedure

De minister voor Immigratie en Asiel wees een verzoek om schadevergoeding van een asielzoeker af, waarna de rechtbank dit besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.

De Raad van State oordeelde dat het besluit dat de schade veroorzaakte, het besluit van 27 maart 2001 was, dat vóór de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 werd genomen. Hierdoor is hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank niet mogelijk volgens artikel 120 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.

De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde zich daarom onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens werd een griffierecht opgelegd aan de minister. Er was geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitspraak

201107396/1/H2 en 201107396/2/H2.
Datum uitspraak: 28 juli 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) van 9 juni 2011 in zaak nr. 10/35837 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
de minister.
1. Procesverloop
Bij besluit van 7 mei 2010 heeft de minister een verzoek van [wederpartij] om vergoeding van schade afgewezen.
Bij besluit van 7 oktober 2010 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 juni 2011, verzonden op de volgende dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2011, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2011, waar de minister, vertegenwoordigd door drs. H. Heinink, werkzaam in dienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.2. Hierna wordt onder de minister tevens diens rechtsvoorgangers verstaan.
2.3. Ingevolge artikel 120 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan hoger beroep slechts worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank over een besluit dat is bekendgemaakt na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, met uitzondering van een beslissing op bezwaar, gericht tegen een besluit, bekendgemaakt voor de inwerkingtreding.
2.4. Bij besluit van 27 maart 2001 heeft de minister een aanvraag van [wederpartij] om hem als vluchteling toe te laten afgewezen. Bij besluit van 12 december 2002 heeft de minister het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 juli 2004 heeft de rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij besluit van 10 november 2005 heeft de minister een aanvraag van [wederpartij] om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Bij uitspraak van 2 december 2005 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij besluit van 18 september 2006 heeft de minister een aanvraag van [wederpartij] om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Bij uitspraak van 13 oktober 2006 heeft de rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Bij besluit van 8 maart 2007 heeft de minister aan [wederpartij] met ingang van 19 oktober 2006 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend.
2.5. Bij brief van 23 februari 2010 heeft [wederpartij] verzocht om schadevergoeding. Aan dat verzoek is ten grondslag gelegd dat, samengevat weergegeven, de minister in de eerste asielprocedure onjuiste toepassing aan het zogenoemde traumatabeleid heeft gegeven en [wederpartij] op normale wijze aan het maatschappelijk leven had kunnen deelnemen en niet op 26 januari 2006 in vreemdelingenbewaring zou zijn gesteld, indien de minister destijds positief op de aanvraag om toelating als vluchteling zou hebben beslist.
2.6. Uit het besluit van 7 mei 2010 valt af te leiden dat de minister het ervoor heeft gehouden dat het besluit van 27 maart 2001 de door [wederpartij] gestelde schadeoorzaak is. Tegen deze lezing van het verzoek is [wederpartij] in beroep niet opgekomen. Onder deze omstandigheden kan de minister niet worden gevolgd in zijn betoog dat [wederpartij] tevens heeft beoogd de besluiten van 10 november 2005 en 18 september 2006 en de inbewaringstelling van 26 januari 2006 als schadeoorzaak te stellen.
2.7. Omdat het besluit van 27 maart 2001 vóór de inwerkingtreding van de Vw 2000 op 1 april 2001 is bekendgemaakt, zou de Afdeling, ingevolge artikel 120 van Pro deze wet, niet bevoegd zijn kennis te nemen van een tegen de uitspraak van 20 juli 2004 ingesteld hoger beroep. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 19 januari 2011 in zaak nr.
201005461/1/H2, LJN: BA3414), brengt dit met zich dat evenmin hoger beroep openstaat tegen de uitspraak met betrekking tot een besluit op een verzoek om de schade te vergoeden die door dat besluit zou zijn veroorzaakt. Dat de rechtbank onder de uitspraak van 9 juni 2011 heeft vermeld dat daartegen hoger beroep bij de Afdeling openstaat, maakt dat niet anders.
2.8. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
2.9. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.10. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart de Afdeling onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen;
II. wijst het verzoek af;
III. bepaalt dat van de minister voor Immigratie en Asiel een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.
w.g. Loeb w.g. Hazen
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2011
452.