AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwvergunning appartementengebouw Nijmegen
Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen verleende op 2 juli 2009 een vrijstelling en reguliere bouwvergunning aan Novio Sector Vastgoed B.V. voor de bouw van een appartementengebouw met 122 woningen, stallinggarage, winkel- en kantoorruimte aan de Marialaan/Kievitstraat te Nijmegen. Verzoekers, wonend te Nijmegen, maakten bezwaar tegen dit besluit, dat door het college op 9 maart 2010 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Arnhem verklaarde deze besluiten op 7 april 2011 gegrond en vernietigde ze. Zowel Novio als het college stelden hoger beroep in bij de Raad van State.
Naar aanleiding van het hoger beroep verzocht de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak om een voorlopige voorziening te treffen tegen het besluit van 11 juli 2011, waarbij het college opnieuw de bezwaren van verzoekers ongegrond verklaarde. De voorzitter behandelde het verzoek tijdens een zitting op 14 juli 2011, waar partijen en hun vertegenwoordigers verschenen.
De voorzitter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet kon worden toegewezen. Er was geen aanleiding om aan te nemen dat het besluit in de bodemprocedure niet in stand zou blijven. Het college was bevoegd de vrijstelling te verlenen en had de ruimtelijke onderbouwing deugdelijk gemotiveerd. De belangenafweging, waaronder privacy-inbreuk, schaduwwerking en verkeersaspecten, rechtvaardigde het besluit. Bovendien was de bouw al vergevorderd, waardoor een voorlopige voorziening niet opportuun was.
De verzoeken werden afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 29 juli 2011 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter en ambtenaar van staat van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot verlening van de bouwvergunning wordt afgewezen.
Uitspraak
201104629/2/H1.
Datum uitspraak: 29 juli 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken van [verzoeker A], en [verzoeker B], beiden wonend te Nijmegen, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van:
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Novio Sector Vastgoed B.V." (hierna: Novio), gevestigd te Zevenaar,
2. het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (hierna: het college)
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 april 2011 in zaken nrs. 10/1468 en 10/1469 in het geding tussen:
[verzoeker A],
[verzoeker B]
en
het college.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 juli 2009 heeft het college aan Novio vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor de bouw van een appartementengebouw met 122 woningen, stallinggarage, winkelruimte en kantoorruimte op het perceel Marialaan/Kievitstraat te Nijmegen (hierna: het project).
Bij afzonderlijke besluiten, verzonden op 9 maart 2010, heeft het college de door [verzoeker A] en [verzoeker B] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [verzoeker B] en [verzoeker A] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en die besluiten vernietigd.
Tegen deze uitspraak hebben Novio bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 2011, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2011, hoger beroep ingesteld. Novio heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 19 mei 2011. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 6 juni 2011.
Bij afzonderlijke besluiten, verzonden op 11 juli 2011, heeft het college de door [verzoeker A] en [verzoeker B] tegen het besluit van 2 juli 2009 gemaakte bezwaren opnieuw ongegrond verklaard.
Bij afzonderlijke brieven, beide bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2011, hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Novio heeft nadere stukken ingediend.
De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 14 juli 2011, waar [verzoeker A], bijgestaan door M.H.M. Baltussen, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.G. Blasweiler, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is Novio, vertegenwoordigd door haar [directeur], bijgestaan door mr. J.P. Hoegee, advocaat te Nijmegen, ter zitting gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Bij besluit verzonden op 11 juli 2011 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op de door [verzoeker A] en [verzoeker B] gemaakte bezwaren. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 vanPro de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.
2.3. De verzoeken om voorlopige voorziening hebben uitsluitend betrekking op dit besluit.
2.4. In hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht, is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat dit besluit in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling en de bouwvergunning niet mochten worden verleend.
Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet wordt bestreden dat het college bevoegd is de gevraagde vrijstelling te verlenen en dat het college in de ruimtelijke onderbouwing van het project, die is neergelegd in het voorontwerp van het bestemmingsplan "Nijmegen Oud West - 10 (MKK-terrein - Novio sector)" deugdelijk heeft gemotiveerd, althans dat vanwege de afwezigheid van [verzoeker B] ter zitting onvoldoende is weersproken, dat ten gevolge van de realisering van het project nabij een ampullenfabriek, aan de in artikel 5, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen gestelde vereisten wordt voldaan en dat de realisering van het project geen onacceptabele gevolgen heeft voor de verkeersdoorstroming en de daarmee samenhangende geluidbelasting en luchtkwaliteit.
Voorts wordt daarbij in aanmerking genomen dat het college ter zitting aannemelijk heeft gemaakt dat de inbreuk op [verzoeker A] privacy vergeleken met de situatie dat het project zou voldoen aan de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Nijmegen Oud West" maximaal toegestane bouwhoogte, niet onevenredig toeneemt en het project voor slechts enkele maanden in het jaar ten hoogste een uur langer schaduw werpt op het perceel van [verzoeker A]. De schaduwwerking en inbreuk op de privacy wordt daarom niet zodanig geacht dat het college de gevraagde vrijstelling in redelijkheid niet heeft kunnen verlenen.
Tenslotte is ter zitting gebleken dat de verzoeken om voorlopige voorziening eerst zijn gedaan nadat de bouw van het project in een vergevorderd stadium verkeerde en de bouwactiviteiten al bijna een jaar bezig waren, zodat ook een afweging van de in geding zijnde belangen niet noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening, als is verzocht.
2.5. Gelet op het vorenstaande worden de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst de verzoeken af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.