Uitspraak
200907207/1/R1ter zitting behandeld op 23 en 24 maart 2011, waar [appellante sub 2], in de personen van [vennoot A] en [vennoot B], [appellante sub 3], vertegenwoordigd door mr. C.L. Knijf, advocaat te Amsterdam, en E. Huizinga, [appellante sub 4], vertegenwoordigd door mr. E.T. Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam, LTO-Noord Glaskracht, vertegenwoordigd door L.W.M. Claessen, [appellant sub 6], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 7], [appellant sub 8] en [appellant sub 9], allen vertegenwoordigd door mr. R.C. Luttikhuizen, advocaat te Den Haag, [appellante sub 10], vertegenwoordigd door mr. J.G. Hinnen, advocaat te Noordwijk, [gemachtigde] en R. Kamphuis, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. van den Bosch, A. de Vries, drs. W.N. Zwama, E.J. Greving, mr. A. van der Ven, drs. M.A.J. Verweij-Peeters, ing. W.F. van Zinderen Bakker en ing. M. Groen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, vertegenwoordigd door drs. K.P. Spannenburg, werkzaam bij de provincie, als partij gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
200907364/1/R2, aan de in het exploitatieplan opgenomen raming van de inbrengwaarden van percelen in beginsel een door een onafhankelijke deskundige uitgevoerde taxatie ten grondslag te liggen. Nu de raad ter zitting te kennen heeft gegeven dat de raming van de inbrengwaarden van de betrokken gronden in het exploitatiegebied niet is gebaseerd op een schriftelijk, gemotiveerd advies van een onafhankelijke deskundige, die heeft geraamd overeenkomstig artikel 6.13, vijfde lid, van de Wro en de betreffende artikelen van de onteigeningswet, en waarin is uiteengezet op basis waarvan de inbrengwaarden zijn geraamd, heeft de raad nagelaten bij de voorbereiding van het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.