Uitspraak
200106021/1), mag, buiten het geval van overgangsrecht, in geval een bouwwerk door een calamiteit is tenietgegaan, dit worden herbouwd. Deze jurisprudentie heeft een uitzonderingskarakter en dient beperkt te worden uitgelegd. De strekking daarvan is dat een belanghebbende als gevolg van een calamiteit niet in een slechtere, maar ook niet in een betere positie mag komen te verkeren. Dit betekent onder meer dat er slechts sprake kan zijn van herbouw van verloren gegane bebouwing, indien de oppervlakte van het nieuw op te richten bouwwerk nagenoeg gelijk is aan die van het vroegere bouwwerk en ook de aard en de omvang daarvan overeenstemt met die van de vroegere bebouwing. Los van de vraag of dit ongeschreven calamiteitenrecht hier van toepassing is, faalt een beroep op dit calamiteitenrecht reeds omdat het nieuw opgerichte bouwwerk naar de aard niet meer overeenstemt met die van de door de brand verloren gegane bebouwing. Immers, ten behoeve van de inrichting van het pand als shoarma/grillroom met restaurantfunctie zijn onder meer een toiletgroep, een rokersruimte en een restaurantgedeelte aangebracht. De rechtbank heeft onder deze omstandigheden derhalve terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand gelaten.