ECLI:NL:RVS:2011:BR5032
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J.M. Schuyt
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling proportionaliteit blijvend onthouden verblijfsvergunning op grond van artikel 1F en EVRM
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen het besluit van de minister van Justitie om zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in te trekken. De rechtbank had het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard, waarna hij hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De vreemdeling voerde aan dat na tien jaar verblijf met een uitzettingsbeletsel op grond van artikel 3 EVRM Pro het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is en dat dit in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, dat het recht op respect voor gezins- en privéleven beschermt. Hij verwees naar het advies van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) en jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
De Raad van State overwoog dat het criterium 'duurzaam' in de Vreemdelingencirculaire inhoudt dat de vreemdeling ten minste tien jaar in een situatie verkeert waarin uitzetting wegens artikel 3 EVRM Pro niet mogelijk is, zonder uitzicht op verandering binnen afzienbare tijd. De beoordeling van disproportionaliteit volgt pas nadat aan dat criterium is voldaan en heeft een zelfstandige betekenis. De Raad van State verwierp het betoog dat na tien jaar verblijf automatisch een verblijfsvergunning moet worden verleend.
Verder oordeelde de Raad dat het blijvend onthouden van de verblijfsvergunning niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, omdat de vreemdeling in Nederland bij zijn gezin kan blijven en artikel 8 EVRM Pro niet zo ver strekt dat een verblijfsvergunning moet worden verleend aan personen op wie artikel 1F van toepassing is. De aangehaalde jurisprudentie van het EHRM betrof geen vergelijkbare gevallen. De Raad bevestigde dat de toetsing van de proportionaliteit door de minister terughoudend is en dat de rechtbank deze toetsing terecht heeft toegepast. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning bevestigd.