AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen vaststelling bestemmingsplan Keijenborg dorp
De raad van de gemeente Bronckhorst stelde op 24 maart 2011 het bestemmingsplan 'Keijenborg dorp; St. Jansstraat 69 Keijenborg (de Eikeboom)' vast. Hiertegen stelde appellant, wonend op circa 315 meter afstand van het plangebied, beroep in bij de Raad van State. Tevens verzocht appellant om een voorlopige voorziening.
Tijdens de zitting op 19 juli 2011 werd vastgesteld dat appellant geen rechtstreeks belang had bij het bestreden besluit. Hij kon niet aannemelijk maken dat hij zicht had op de nieuwe woningen of dat er een rechtstreeks verband bestond tussen zijn eigen verzoek om bestemmingswijziging en het bestemmingsplan. Hierdoor werd geconcludeerd dat appellant geen belanghebbende was in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en daarom niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Gezien het ontbreken van belanghebbende status werd ook het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er was geen aanleiding om in deze zaak een voorlopige voorziening te treffen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De voorzitter deed de uitspraak namens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 9 augustus 2011.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestemmingsplan wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitspraak
201105213/1/R2 en 201105213/2/R2.
Datum uitspraak: 9 augustus 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 vanPro die wet, op het beroep, in het geding tussen:
[appellant], wonend te Keijenborg, gemeente Bronckhorst,
en
de raad van de gemeente Bronckhorst,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 maart 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Keijenborg dorp; St. Jansstraat 69 Keijenborg (de Eikeboom)" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2011, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2011, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 juli 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. M.H.M. Deppenbroek, advocaat te Doetinchem, en de raad, vertegenwoordigd door mr. G.G. Knoef-Vruggink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Ter zitting is voorts [belanghebbende], vertegenwoordigd door J. Allersma, als partij gehoord.
Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2. Overwegingen
2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.2. [appellant] woont op een afstand van ongeveer 315 meter van het plangebied. Ter zitting heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij vanuit zijn woning zicht heeft op de met het plan voorziene woningen. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die met het door [appellant] bestreden plan mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de voorzitter te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.
Voorts is de voorzitter van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een rechtstreeks verband tussen de afwijzing van zijn verzoek om een bestemmingswijziging van zijn perceel
St. Janstraat 36 en de met het plan voorziene woningen. In het kader van de procedure tegen het besluit van de raad tot afwijzing van zijn verzoek om een bestemmingswijziging, kan [appellant] zijn bezwaren tegen onder meer de door de gemeente Bronckhorst gehanteerde planningslijst naar voren brengen.
De conclusie is dat [appellant] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, geen beroep kan instellen.
Het beroep is niet-ontvankelijk.
2.3. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek dient te worden afgewezen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.