Uitspraak
200600505/1kan het trekken van publiek naar de woonboulevard tot de gemeenschappelijke zakenbelangen van de Vereniging Woonboulevard Heerlen worden gerekend, en is dat belang een belang dat alle leden ervan aangaat, zodat sprake is van een collectief belang. De Vereniging Woonboulevard Heerlen is in deze procedure opgekomen voor de belangen van de woonboulevard Heerlen als geheel. Gelet op de geringe afstand van 4 km tussen de vestiging van [bedrijf] en de woonboulevard Heerlen en het feit dat de op de woonboulevard Heerlen gevestigde Gamma en Praxis grotendeels in hetzelfde marktsegment werkzaam zijn als [bedrijf], is niet uitgesloten dat de op de woonboulevard Heerlen gevestigde Gamma en Praxis ten gevolge van het besluit van 29 januari 2008 minder publiek zullen trekken. Gelet op de aantrekkende werking van deze winkels voor de woonboulevard, heeft de rechtbank het terecht niet ondenkbaar geacht dat het detailhandelsbedrijf van [bedrijf] bezoekers zal trekken ten koste van de woonboulevard Heerlen als geheel, zodat de Vereniging Woonboulevard Heerlen reeds hierom als belanghebbende bij het besluit van 29 januari 2008 kan worden aangemerkt.
200501120/1), behoeven, naarmate de inbreuk op de bestaande planologische situatie geringer is, minder zware eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan.
200806342/1/H1), komt voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in een bepaalde sector geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of sprake is van overaanbod en mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen, maar aan de vraag of voor de inwoners van de gemeente een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun geregelde inkopen kunnen doen. Bij een eventueel sluiten van een winkel voor tuinartikelen, doe-het-zelfartikelen en boerenbondartikelen, kunnen klanten hun geregelde inkopen doen bij [bedrijf], dan wel bij andere vestigingen in deze branchegroepen, die in Brunssum en Parkstad Limburg ruimschoots vertegenwoordigd zijn, zoals ook is bevestigd met de door het adviesbureau Droogh Trommelen en Partners opgestelde analyse van 24 augustus 2009. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat door de detailhandelsactiviteiten van [bedrijf], waarvoor vrijstelling is verleend, moet worden gevreesd voor een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in de betreffende sector.
200204931/1leidt niet tot vernietiging van het besluit tot verlening van vrijstelling. De WRO bepaalt niet dat geen vrijstelling mag worden verleend, zo lang niet is voldaan aan artikel 30 van Pro de WRO. Niet is gebleken dat [appellante 1] en andere door de verlening van vrijstelling in hun belangen zijn geschaad, zodat van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geen sprake is.