ECLI:NL:RVS:2011:BR5647

Raad van State

Datum uitspraak
16 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201106258/1/H1 en 201106258/2/H1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • H. Troostwijk
  • M.E.B. de Haseth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 41 Wet op de Raad van State
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake weigering ontheffing en bouwvergunning op grond bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Heusden heeft op 16 juli 2009 geweigerd om ontheffing en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een opbouw op een garage/hobbyruimte aan twee locaties te Heusden. Het bouwplan was reeds gerealiseerd, maar in strijd met het geldende bestemmingsplan vanwege overschrijding van de maximaal toegestane goothoogte.

Het college verklaarde het bezwaar van wederpartijen tegen deze weigering ongegrond. De rechtbank 's-Hertogenbosch oordeelde echter op 22 april 2011 dat het beroep van wederpartijen gegrond was, vernietigde het bezwaarbesluit en bepaalde dat het college opnieuw moest beslissen.

De Raad van State oordeelt dat het college de weigering om ontheffing te verlenen voldoende en draagkrachtig heeft gemotiveerd, onder meer omdat wederpartijen geen gerechtvaardigd vertrouwen konden ontlenen aan uitlatingen van wethouders. De rechtbank heeft dit ten onrechte anders beoordeeld. Daarom wordt het hoger beroep van het college gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van wederpartijen ongegrond verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het betaalde griffierecht wordt aan het college terugbetaald.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van ontheffing en bouwvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

201106258/1/H1 en 201106258/2/H1.
Datum uitspraak: 16 augustus 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Heusden,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 april 2011 in zaak nr. 10/505 in het geding tussen:
[wederpartijen]
en
het college.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 juli 2009 heeft het college geweigerd aan [wederpartijen] ontheffing en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een opbouw op de garage/hobbyruimte aan de [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 24 december 2009 heeft het college het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 december 2009 vernietigd en bepaald dat het college opnieuw op het door [wederpartijen] gemaakte bezwaar beslist met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juni 2011, hoger beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2011, heeft het college de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.
[wederpartijen] hebben een nader stuk ingediend.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 augustus 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. Hermans, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.2. Niet in geschil is dat het bouwplan, dat reeds is gerealiseerd, in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Vijfhoeven I", dat aan het perceel de bestemming "Woondoeleinden halfopen bebouwing" toekent, omdat de maximaal toegestane goothoogte aan de achterzijde wordt overschreden.
2.3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het de weigering om een ontheffing te verlenen, aangezien [wederpartijen] geen beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt, onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd.
2.3.1. Dit betoog slaagt. Het college heeft zich bij het besluit van 24 december 2009 terecht op het standpunt gesteld dat [wederpartijen] aan de uitlatingen van de betrokken wethouders niet het gerechtvaardigd vertrouwen hebben kunnen ontlenen dat voor het bouwplan bouwvergunning en ontheffing zullen worden verleend, reeds omdat niet deze wethouders, maar het college het terzake bevoegde orgaan is.
Dat het college bij besluit van 25 maart 2010 ten aanzien van het bouwplan een gedoogbeschikking heeft gegeven, onder meer omdat de betrokken wethouders [wederpartijen] hebben toegezegd dat met het bouwplan, zoals dat is gerealiseerd, door het college zal worden ingestemd, geeft geen grond voor een ander oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de vraag of van handhavend optreden dient te worden afgezien een andere is dan de vraag die in de voorliggende procedure aan de orde is, te weten de vraag of de weigering om ontheffing te verlenen rechtmatig is.
Daarmee heeft het college de weigering om een ontheffing te verlenen voldoende draagkrachtig gemotiveerd.
2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [wederpartijen] tegen het besluit van 24 december 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaren.
2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.6. Redelijke toepassing van artikel 41, vijfde lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het in het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan het college wordt terugbetaald.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 april 2011 in zaak nr. 10/505;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek af;
V. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan het college van burgemeester en wethouders van Heusden het door hem voor de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht ten bedrage van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, ambtenaar van staat.
w.g. Troostwijk w.g. De Haseth
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2011
476.