ECLI:NL:RVS:2011:BS8836
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- R.W.L. Loeb
- C. Sparreboom
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen intrekking marktvergunning wegens vermeende faillissementstoestemming curator
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok op 30 maart 2010 de marktvergunning van de wederpartij in wegens vermeende niet-naleving van publiekrechtelijke verplichtingen, omdat hij failliet was en geen toestemming van de curator had om op eigen naam goederen te verkopen. De rechtbank verklaarde het beroep van de wederpartij gegrond en vernietigde het besluit, omdat niet kon worden vastgesteld dat toestemming ontbrak.
Het college stelde in hoger beroep dat de bewijslast bij de wederpartij lag om aan te tonen dat de curator toestemming had gegeven. De Raad van State oordeelde dat dit juist is en vernietigde het vonnis van de rechtbank. De voorzitter stelde vast dat de curator niet ondubbelzinnig toestemming had bevestigd en dat de situatie niet gelijk was aan een eerdere situatie in 2007 waarin wel toestemming was verleend.
De voorzitter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de marktvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.