ECLI:NL:RVS:2011:BT2828
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing toevoeging rechtsbijstand na faillissement
De appellant, die een eenmanszaak dreef en in staat van faillissement was verklaard, vroeg bij de raad een toevoeging aan voor rechtsbijstand in een onrechtmatige daadprocedure gerelateerd aan het faillissement. De raad wees deze aanvraag af omdat de aanvraag betrekking had op de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf, en de uitzonderingen in de Wet op de rechtsbijstand niet van toepassing waren.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde dat de uitzonderingssituatie van artikel 12, tweede lid, onder e, sub 1, Wrb wel van toepassing was omdat het resultaat van de procedure bepalend zou zijn voor de voortzetting van zijn bedrijf. Tevens voerde hij aan dat hij zich met tijdige toevoegingen beter had kunnen verweren in eerdere procedures.
De Raad van State oordeelde dat het faillissement bij beschikking van de rechtbank was opgeheven wegens gebrek aan baten, waardoor appellant geen procesbelang meer had bij de gevraagde toevoeging. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van de toevoeging rechtsbijstand is niet-ontvankelijk verklaard.