Uitspraak
201100890/1/H2en
201101171/1/H2, ter zitting behandeld op 15 september 2011, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. K. El Addouti, werkzaam bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en Ymere, vertegenwoordigd door mr. M. van Hal Scheffer, advocaat te Den Haag, vergezeld van [gemachtigde], werkzaam bij Ymere, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
201001980/1/H2, waar ook de rechtbank naar heeft verwezen, is het volgens de TB 2007 gevoerde beleid niet in strijd met artikel 3 van Pro de Monumentenwet 1988, zoals dat tot 1 januari 2009 luidde. De rechtbank heeft dit beleid terecht niet kennelijk onredelijk geacht. De minister heeft in het besluit van 19 november 2009 gemotiveerd dat uit artikel 2 van Pro de TB 2007 volgt dat panden gebouwd vóór 1940 niet worden aangewezen als beschermd monument, maar dat daarvan in zeer uitzonderlijke gevallen kan worden afgeweken, bijvoorbeeld wanneer een bedreigd topmonument in het geding is. Ter zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat bij zijn weten eenmaal een bedreigd topmonument is aangewezen, maar dat in verband met gewekt vertrouwen tientallen andere objecten van vóór 1940 zijn aangewezen. Het betoog faalt.