Uitspraak
200104384/1). Voorts voert hij aan dat de rechtbank de betekenis van de in milieuregels gestelde beperkingen aan het exploiteren van een glastuinbouwbedrijf in het buitengebied heeft miskend.
200907020/1/H2(BR 2010, p. 684), ten onrechte geen vergelijking heeft plaatsgevonden van de maximale geluidsbelasting onder het oude en het nieuwe planologische regime. Ten slotte voert hij aan dat de conclusies van Houdringe niet op een maximale invulling van de planologische mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan berusten, omdat het plangebied thans voor 'verkeersdoeleinden' is bestemd en Houdringe heeft miskend dat bij die bestemming niet slechts de aanleg van een verkeersweg mogelijk is, maar tevens de aanleg van fietspaden, voetpaden, pleinen en parkeerplaatsen.
200601959/1), kan een waardebepaling eerst aan de orde komen, nadat is vastgesteld dat een bestemmingsplan of een andere in artikel 49 van Pro de WRO genoemde planologische maatregel daadwerkelijk tot een verslechtering heeft geleid ten opzichte van de mogelijkheden onder het daarvoor vigerende regime. Nu Houdringe op grond van planvergelijking tot de conclusie is gekomen dat een nadeliger situatie en waardevermindering van de woonboerderij niet aan de orde is, behoefde geen waardebepaling van de woonboerderij plaats te vinden. Het ontbreken daarvan maakt het advies derhalve niet onzorgvuldig.
200802629/1, AB 2009, 213), vangt de redelijke termijn in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt en is in zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, in beginsel een totale lengte van de procedure van niet meer dan vijf jaar redelijk.