ECLI:NL:RVS:2011:BT6654

Raad van State

Datum uitspraak
30 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201109074/2/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H. Troostwijk
  • N.D.T. Pieters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 lid 2 Wet op de Ruimtelijke OrdeningArt. 8:81 Algemene wet bestuursrechtBesluit Luchtkwaliteit 2005
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake bouwvrijstelling en vergunning Drunen

Het college van burgemeester en wethouders van Heusden had op 21 augustus 2007 vrijstelling verleend voor de bouw van 98 woningen en een parkeergarage op een perceel te Drunen, gevolgd door een bouwvergunning op 23 juni 2008. Een bezwaar van een wederpartij tegen deze besluiten werd door het college ongegrond verklaard. De rechtbank 's-Hertogenbosch verklaarde het beroep van de wederpartij gegrond en vernietigde het besluit op bezwaar, waarbij het college werd opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen.

Het college stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat het nieuwe besluit binnen die termijn genomen moest worden. De voorzitter behandelde dit verzoek op 22 september 2011 en oordeelde dat de vraag of het Besluit Luchtkwaliteit 2005 van toepassing is en of het rapport van Cauberg-Huygen aan het besluit ten grondslag kon liggen, niet in deze voorlopige voorziening kon worden beantwoord, maar in de bodemprocedure.

Gezien het belang van een efficiënte en finale geschilbeslechting en het ontbreken van zwaarwegende belangen van het college, wees de voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de wederpartij.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

201109074/2/H1.
Datum uitspraak: 30 september 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Heusden,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 juni 2011 in zaak nr. 09/5700 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
het college.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft het college vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend voor de bouw van 98 woningen en een parkeergarage op het perceel Joost van den Vondellaan 0 te Drunen.
Bij besluit van 23 juni 2008 heeft het college bouwvergunning verleend voor het geheel bouwen van 98 woningen en een ondergrondse parkeergarage op het perceel.
Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft het college het door [wederpartij] tegen de verlening van de vrijstelling en bouwvergunning gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 juni 2011, verzonden op 11 juli 2011, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 (lees: 27) oktober 2009 vernietigd en bepaald dat het college binnen twaalf weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar zal nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 september 2011.
Bij eerstgenoemde brief heeft het college de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
[wederpartij] heeft een nader stuk ingediend.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 september 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. Hermans, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door M.A.M. Jonkers zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het verzoek van het college strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat het aan de uitspraak van de rechtbank dat het binnen twaalf weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar dient te nemen geen gevolg hoeft te geven.
2.3. De vraag of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat op de uitoefening van de bevoegdheid tot verlening van vrijstelling het Besluit Luchtkwaliteit 2005 van toepassing is en dat het college het rapport "Onderzoek luchtkwaliteit voor het nieuwbouwplan Zuid-West kwadrant te Drunen" van Cauberg-Huygen van 22 januari 2007 niet (mede) aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen, leent zich niet voor beantwoording in deze procedure en zal in de bodemprocedure onderzocht moeten worden.
Nu het in het belang van een efficiënte en finale geschillenbeslechting is dat het nieuwe besluit op bezwaar en de aangevallen uitspraak beide in de bodemprocedure kunnen worden beoordeeld en het college geen belangen heeft gesteld die zwaarder dienen te wegen, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Heusden tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.
w.g. Troostwijk w.g. Pieters
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2011
473.