ECLI:NL:RVS:2011:BT7114
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren vreemdelingenbewaring na bevel tot opheffing en bezwaarprocedure
De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld bij besluit van 17 november 2010. De rechtbank verklaarde op 17 mei 2011 het beroep tegen het voortduren van de bewaring gegrond en beval de opheffing van de maatregel met ingang van die dag. Desondanks duurde de bewaring feitelijk voort tot 18 mei 2011, de dag na het bevel tot opheffing.
De vreemdeling stelde vervolgens beroep in tegen het feitelijke voortduren van de bewaring en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank verklaarde dit beroep op 1 juni 2011 niet-ontvankelijk, omdat zij oordeelde niet bevoegd te zijn om kennis te nemen van een verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een rechterlijk bevel.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State en voerde aan dat het beroep niet was gericht tegen een onjuiste tenuitvoerlegging van het bevel, maar tegen het onrechtmatige voortduren van de bewaring. De Raad van State oordeelde echter dat het voortduren van de bewaring na het bevel tot opheffing moet worden aangemerkt als een beschikking gelijkgestelde handeling van de minister, waartegen bezwaar moet worden gemaakt alvorens beroep mogelijk is. Daarom was het beroep bij de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tevens werd bepaald dat het beroepschrift tegen het voortduren van de bewaring zal worden doorgestuurd aan de minister ter behandeling als bezwaarschrift. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het voortduren van de bewaring is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.