ECLI:NL:RVS:2011:BT7114

Raad van State

Datum uitspraak
30 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201106389/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • E. Steendijk
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 72 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 7:1 AwbArt. 6:15 AwbArt. 8:54 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren vreemdelingenbewaring na bevel tot opheffing en bezwaarprocedure

De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld bij besluit van 17 november 2010. De rechtbank verklaarde op 17 mei 2011 het beroep tegen het voortduren van de bewaring gegrond en beval de opheffing van de maatregel met ingang van die dag. Desondanks duurde de bewaring feitelijk voort tot 18 mei 2011, de dag na het bevel tot opheffing.

De vreemdeling stelde vervolgens beroep in tegen het feitelijke voortduren van de bewaring en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank verklaarde dit beroep op 1 juni 2011 niet-ontvankelijk, omdat zij oordeelde niet bevoegd te zijn om kennis te nemen van een verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een rechterlijk bevel.

De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State en voerde aan dat het beroep niet was gericht tegen een onjuiste tenuitvoerlegging van het bevel, maar tegen het onrechtmatige voortduren van de bewaring. De Raad van State oordeelde echter dat het voortduren van de bewaring na het bevel tot opheffing moet worden aangemerkt als een beschikking gelijkgestelde handeling van de minister, waartegen bezwaar moet worden gemaakt alvorens beroep mogelijk is. Daarom was het beroep bij de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard.

De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tevens werd bepaald dat het beroepschrift tegen het voortduren van de bewaring zal worden doorgestuurd aan de minister ter behandeling als bezwaarschrift. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het voortduren van de bewaring is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

201106389/1/V3.
Datum uitspraak: 30 september 2011
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 1 juni 2011 in zaak nr. 11/17005 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister voor Immigratie en Asiel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 november 2010 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 17 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de vreemdeling tegen het voortduren van de bewaring ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
Bij brief van 18 mei 2011 heeft de vreemdeling beroep ingesteld tegen het feitelijke voortduren van de bewaring en verzocht hem schadevergoeding toe te kennen.
Bij uitspraak van 1 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank dat beroep niet ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 juni 2011, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Bij uitspraak van 17 mei 2011 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de opheffing van de eerder aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel met ingang van die dag bevolen. Op 18 mei 2011 is de bewaring opgeheven. Tegen het feitelijke voortduren van de bewaring na voormeld door de rechtbank gegeven bevel tot opheffing daarvan heeft de vreemdeling opnieuw beroep ingesteld, waarbij hij tevens heeft verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Bij uitspraak van 1 juni 2011 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij de rechter in vreemdelingenzaken niet bevoegd acht kennis te nemen van een verzoek om schadevergoeding met betrekking tot een beweerdelijk onjuiste tenuitvoerlegging van een rechterlijk bevel.
2.2. In de enige grief klaagt de vreemdeling, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank, door aldus te overwegen, heeft miskend dat zijn beroep niet was gericht tegen een onjuiste tenuitvoerlegging van een rechterlijk bevel, maar tegen het na het op 17 mei 2011 door de rechtbank gegeven bevel tot opheffing onrechtmatige voortduren van de bewaringsmaatregel. Derhalve is het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en is hem, als gevolg daarvan, ten onrechte geen schadevergoeding toegekend voor de periode dat de bewaring na 17 mei 2011 onrechtmatig heeft voortgeduurd, aldus de vreemdeling.
2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 december 2003 in zaak nr. 200307090/1; JV 2004/61), is in beginsel geen sprake van strijd met het vereiste dat de inbewaringstelling na een bevel daartoe van de rechtbank onverwijld moet worden opgeheven, indien deze binnen zes uur na de verzending van haar uitspraak wordt beëindigd, waartoe in aanmerking is genomen dat de ten behoeve van de beëindiging te verrichten formaliteiten enige tijd kunnen vergen.
In dit geval is de bewaring eerst de dag volgend op die waarop de rechtbank de opheffing daarvan heeft bevolen opgeheven, hetgeen niet als onverwijld als hiervoor bedoeld kan worden aangemerkt. Op zichzelf klaagt de vreemdeling derhalve terecht dat hij niet tijdig is heengezonden.
2.2.2. Zoals evenwel volgt uit de uitspraak van de Afdeling van heden in zaak nr. 201105921/1/V3 (ter voorlichting van partijen aangehecht), moet het feitelijke voortduren van een bewaringsmaatregel in weerwil van een eerder door de rechtbank gegeven bevel tot opheffing daarvan worden aangemerkt als een op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 met een beschikking gelijk te stellen handeling van de minister ten aanzien van de vreemdeling. Ingevolge die bepaling, gelezen in samenhang met artikel 7:1 van Pro de Awb, stond tegen bedoeld feitelijk voortduren van de maatregel bezwaar open alvorens beroep bij de rechtbank kon worden ingesteld. De rechtbank heeft het beroep derhalve terecht, zij het op andere gronden, niet-ontvankelijk verklaard.
De grief faalt.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. Hetgeen de vreemdeling overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze berust. Het in dit hoger beroep aan de orde zijnde verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen. Het door de vreemdeling tegen het voortduren van de bewaring na het op 17 mei 2011 door de rechtbank gegeven bevel tot opheffing ingediende beroepschrift zal met toepassing van artikel 6:15 van Pro de Awb aan de minister worden doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijker Dekker, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter
w.g. Wijker-Dekker
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2011
562.
Verzonden: 30 september 2011
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser