De minister legde een vennootschap een boete van €32.000,- op wegens overtreding van de artikelen 2 en 18 van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd het boetebedrag verlaagd naar €29.500,-. De vennootschap stelde in hoger beroep dat het boeterapport niet tijdig was opgemaakt, wat strijdig zou zijn met artikel 18b van de Wav.
De Raad van State overwoog dat het begrip 'zo spoedig mogelijk' afhankelijk is van verschillende factoren en dat het boeterapport in deze zaak pas na een langere periode werd opgemaakt. De minister kon niet verklaren waarom er tussen september 2007 en mei 2008 geen onderzoeksactiviteiten waren. Dit betekent dat het boeterapport niet tijdig was, maar de overschrijding was niet zodanig dat de boete moest worden afgewezen of gematigd, omdat de vennootschap geen aantoonbaar nadeel had ondervonden.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee blijft de boete van €29.500,- in stand wegens de overtredingen van de Wav door de vennootschap.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €29.500,- ondanks de overschrijding van de termijn voor het opmaken van het boeterapport.
Uitspraak
201104694/1/V6.
Datum uitspraak: 19 oktober 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: de vennootschap), gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 15 maart 2011 in zaak nr. 09/1309 in het geding tussen:
de vennootschap
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft de minister de vennootschap een boete opgelegd van € 32.000,00 wegens overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en 18, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
Bij besluit van 28 augustus 2009 heeft de minister opnieuw het daartegen door de vennootschap gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 15 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vennootschap ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 augustus 2009 vernietigd wat betreft de hoogte van het boetebedrag, het boetebedrag bepaald op € 29.500,00 en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van dat besluit. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vennootschap bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september 2011, waar de vennootschap, vertegenwoordigd door mr. H.A. Meindersma, werkzaam bij SCT Juridisch Adviesbureau B.V., en de minister, vertegenwoordigd door mr. S.C. Lin, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Op dit geding is de Wav van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 265) op 1 juli 2009.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.
Ingevolge artikel 18, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.
Ingevolge artikel 18, tweede lid, wordt het door de werkgever niet naleven van artikel 5:20 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor zover het betreft het door de toezichthouder uitoefenen van bevoegdheden ter vaststelling van de identiteit van degene die voor de werkgever arbeid verricht of heeft verricht als beboetbaar feit aangemerkt.
Ingevolge artikel 18a, eerste lid, kunnen beboetbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.
Ingevolge artikel 18b, eerste lid, maakt de toezichthouder, indien hij vaststelt dat een beboetbaar feit is begaan, daarvan zo spoedig mogelijk een rapport op.
Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.
Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00.
Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.
Volgens artikel 1 vanPro de beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de "Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav" (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.
Volgens artikel 4 bestaatPro de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.
Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav onderscheidenlijk artikel 5:20, eerste lid, van de Awb gesteld op € 8.000,00 per persoon per beboetbaar feit.
2.2. De vennootschap betoogt dat nu de overtredingen op 9 mei 2007 zijn geconstateerd, het boeterapport van 15 mei 2008 in strijd met artikel 18b, eerste lid, van de Wav niet zo spoedig mogelijk is opgemaakt. Hiertoe voert zij aan dat het een eenvoudige zaak met slechts vier vreemdelingen betreft, dat de Arbeidsinspectie op 2 juli 2007 over de voor boeteoplegging noodzakelijke informatie beschikte, dat de minister niet heeft verklaard waarom de directeur van de vennootschap eerst op 4 september 2007 voor de tweede keer is gehoord en dat de minister ook in algemene zin geen verklaring heeft gegeven voor het tijdsverloop tussen de constatering van de overtredingen en het opmaken van het boeterapport. In dit verband wijst de vennootschap op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2008, LJN BG 3910, de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 18b, eerste lid, van de Wav (Kamerstukken II 2003/04, 29 523, nr. 3, blz. 12), een brief van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 juni 2004 (Kamerstukken II 2003/04, 29 523, nr. 13, blz. 3), de 'Algemene instructie Handhaving Wet Arbeid Vreemdelingen' van de Algemeen Directeur van de Arbeidsinspectie van 4 mei 2007, het rapport 'Bestuursrechtelijke handhaving Wet arbeid vreemdelingen', en de eindrapportage 'Evaluatie invoering bestuurlijke boete Wav' van IVA beleidsonderzoek en advies.
2.2.1. Uit voormelde geschiedenis van de totstandkoming van artikel 18b, eerste lid, van de Wav volgt dat is gekozen voor het 'zo spoedig mogelijk' opmaken van een boeterapport, omdat de snelheid waarmee een en ander kan gebeuren afhankelijk is van, samengevat weergegeven, verschillende factoren.
Ter zitting heeft de minister niet kunnen verklaren waarom tussen 4 september 2007 en 15 mei 2008 geen onderzoeksactiviteiten zijn verricht. Hieruit volgt dat het boeterapport niet conform artikel 18b, eerste lid, van de Wav zo spoedig mogelijk is opgemaakt, alsmede dat het tijdsverloop tussen de constatering van de overtredingen en het opmaken van het boeterapport in deze zaak groter is dan blijkens de in 2.2. vermelde stukken in algemene zin is beoogd. In de enkele overschrijding van de in artikel 18b, eerste lid, van de Wav neergelegde termijn ligt echter geen grond voor het afzien van boeteoplegging dan wel tot matiging van de opgelegde boete, aangezien de vennootschap niet heeft gesteld en evenmin op andere wijze is gebleken dat haar belangen door die overschrijding zijn geschaad. Dit is anders in de zaak van voormelde uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2008, zodat de verwijzing daarnaar reeds daarom geen doel treft.
Het betoog faalt.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.J.H. Cassé, ambtenaar van staat.