ECLI:NL:RVS:2011:BU1626
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- P. Klein
- Rechtspraak.nl
Intrekking standplaatsvergunning wegens niet-gebruik binnen redelijke termijn
Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht heeft op 5 februari 2009 de vergunning van appellant voor een standplaats op Plein 1992 ingetrokken wegens het niet gebruiken van de vergunning binnen een redelijke termijn. Appellant had sinds de vergunningverlening in augustus 2007 bijna anderhalf jaar geen standplaats ingenomen, mede doordat hij de stroomvoorziening niet had kunnen regelen en zijn kredietaanvraag was afgewezen.
Appellant voerde aan dat het college onzorgvuldig en onevenredig had gehandeld, dat het college verwachtingen had gewekt over stroomvoorziening en dat hij door ziekte niet eerder kon starten. Ook stelde hij dat het college niet voldoende medewerking had verleend om zelf stroomvoorziening aan te leggen en dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden omdat een andere standhouder wel stroomkosten vergoed kreeg.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college terecht de vergunning had ingetrokken na een redelijke termijn van niet-gebruik. Het college was niet verplicht om stroomvoorziening te verzorgen of toestemming te geven voor aanleg door appellant. De ziekte van appellant vormde geen reden om af te zien van intrekking. Het gelijkheidsbeginsel was niet geschonden omdat de situaties niet vergelijkbaar waren.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Maastricht bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de standplaatsvergunning wordt bevestigd omdat appellant niet binnen een redelijke termijn gebruik heeft gemaakt van de vergunning.