Uitspraak
200204721/1), heeft de minister bij de toepassing van artikel 10 van Pro de RWN beoordelingsvrijheid waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort.
Raad van State
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de afwijzing van haar verzoek om het Nederlanderschap, gebaseerd op het niet voldoen aan het vereiste van onafgebroken toelating gedurende vijf jaren voorafgaand aan het verzoek. De minister had het verzoek afgewezen vanwege een verblijfsgat in de toelating, ondanks een brief van de gezaghebber van Curaçao die stelde dat dit verblijfsgat een administratieve onderbreking was en niet als een onderbreking van legaal verblijf moest worden gezien.
Appellante voerde aan dat de minister niet mocht afwijken van het standpunt van de gezaghebber en dat het verblijfsgat veroorzaakt werd door omstandigheden buiten haar schuld, zoals de late ontvangst van haar paspoort. De Raad van State oordeelde dat de minister bevoegd is zelfstandig te beoordelen of aan het vereiste van onafgebroken toelating is voldaan en dat de brief van de gezaghebber niet doorslaggevend is. De verklaring van de Chinese Four Villages Neighbours Club werd onvoldoende gemotiveerd geacht om het verblijfsgat te verontschuldigen.
Verder verwierp de Raad van State de stelling dat de Herziene instructie aan de Gezaghebbers niet van toepassing zou zijn en corrigeerde een kennelijke verschrijving omtrent de betrokkenheid van het DIMAS. Ten slotte oordeelde de Raad dat de minister terecht geen bijzondere gevallen in de zin van artikel 10 van Pro de RWN aannam. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om naturalisatie bevestigd vanwege het verblijfsgat.