Uitspraak
201100146/1/H3. [verzoekster] kan in de bodemprocedure haar visie op deze uitspraak van de Afdeling naar voren brengen.
Raad van State
In deze bestuursrechtelijke procedure heeft de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 30 augustus 2011 een voorlopige voorziening getroffen die de minister verplichtte geen nieuw besluit te nemen op het bezwaar van verzoekster totdat het hoger beroep was afgerond.
Verzoekster heeft vervolgens verzocht deze voorlopige voorziening op te heffen, stellende dat haar recht op hoor en wederhoor was geschonden en dat het hoger beroep van de minister geen kans van slagen had. De voorzitter constateerde dat de reactie van verzoekster abusievelijk niet was betrokken bij de eerdere beslissing, maar oordeelde dat dit gebrek kon worden hersteld in de huidige procedure.
De voorzitter overwoog dat het belang van de minister bij het handhaven van de voorlopige voorziening, vanwege het voorkomen van onomkeerbare gevolgen, zwaarder weegt dan het belang van verzoekster bij opheffing. Het belang van traumaverwerking werd niet als spoedeisend erkend en het hoger beroep kon niet op voorhand als kansloos worden beschouwd.
Daarom wees de voorzitter het verzoek tot opheffing af en zag geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 26 oktober 2011.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de voorlopige voorziening wordt afgewezen.