ECLI:NL:RVS:2011:BU2861
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige staandehouding wegens onvolledig proces-verbaal bij vreemdelingenbewaring
De zaak betreft een hoger beroep van de minister voor Immigratie en Asiel tegen een uitspraak van de rechtbank die de staandehouding van een vreemdeling onrechtmatig heeft verklaard. De vreemdeling was op 10 juni 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld na een staandehouding op grond van artikel 50 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank oordeelde dat het proces-verbaal van de staandehouding onvoldoende inzicht bood in de reden en wijze van de staandehouding, waardoor de wettelijke waarborgen niet konden worden getoetst.
De minister voerde aan dat het proces-verbaal rechtsgeldig was opgemaakt door ambtenaren op ambtseed en dat er geen reden was om aan de juistheid te twijfelen. Tevens stelde de minister dat de rechtbank het aanbod om een aanvullend proces-verbaal te overleggen ten onrechte had afgewezen. De Raad van State overwoog echter dat het proces-verbaal dermate onvolledig was dat het niet voldeed aan de eisen van transparantie en toetsbaarheid zoals vereist onder artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep van de minister. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. De uitspraak benadrukt het belang van een volledig en inzichtelijk proces-verbaal bij staandehoudingen in het kader van vreemdelingenbewaring.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de staandehouding onrechtmatig is wegens een onvolledig proces-verbaal en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten.