ECLI:NL:RVS:2011:BU3112

Raad van State

Datum uitspraak
26 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201107446/2/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen besluit handhaving detailhandelactiviteiten perceel Nieuwegein

Het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein wees op 26 november 2009 het verzoek af om handhavend op te treden tegen vermeende detailhandelactiviteiten op een perceel in Nieuwegein. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt dat op 8 april 2010 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van de verzoeker op 23 mei 2011 gegrond, vernietigde het besluit op bezwaar en beval het college een nieuw besluit te nemen.

Het college verzocht vervolgens de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen om te bepalen dat het geen nieuw besluit hoefde te nemen totdat het hoger beroep was beslist. De voorzitter behandelde het verzoek op 20 oktober 2011.

De voorzitter oordeelde dat het college op grond van de geldende bestemming en planvoorschriften onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand zou blijven. Het nemen van een nieuw besluit biedt het college de mogelijkheid om het geconstateerde voorbereidings- en motiveringsgebrek te herstellen. Daarom wees de voorzitter het verzoek af en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten.

De uitspraak heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. De voorzitter benadrukte het belang van een effectieve geschilbeslechting door het nieuwe besluit mee te nemen in de beoordeling van het hoger beroep.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

201107446/2/H1.
Datum uitspraak: 26 oktober 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 mei 2011 in zaak nr. 10/1627 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college.
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 november 2009 heeft het college het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden tegen de vermeende detailhandelactiviteiten op het perceel [locatie] te Nieuwegein (hierna: het perceel) afgewezen.
Bij besluit van 8 april 2010 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 mei 2011, verzonden op 25 mei 2011, heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 april 2010 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2011, hoger beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2011, heeft het college de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 oktober 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R. Visser en R.A. Hanoeman, werkzaam bij de gemeente, en [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. J. van Berkel, zijn verschenen. Voorts is verschenen [belanghebbende], bijgestaan door J. van Wijk.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het college verzoekt de voorzitter te bepalen dat het geen nieuw besluit op het door [verzoeker] gemaakte bezwaar hoeft te nemen, totdat op het ingestelde hoger beroep is beslist. Volgens het college vinden er op het perceel geen met het bestemmingsplan "Vreeswijk-Noord" strijdige activiteiten plaats.
2.3. In hetgeen het college naar voren heeft gebracht, is, mede gelet op de ter plaatse geldende bestemming "Gebied voor wonen (WG)" alsmede de in artikel 1, onder 15, van de planvoorschriften opgenomen begripsomschrijving van "beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten aan huis", geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Het nemen van een nieuw besluit op bezwaar, biedt het college de mogelijkheid het door de rechtbank geconstateerde voorbereidings- en motiveringsgebrek te herstellen. Gelet op de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van Pro die wet, kan dat besluit bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken hetgeen in het belang is van een effectieve geschilbeslechting.
2.4. Gelet op het voorgaande, bestaat aanleiding het verzoek van het college af te wijzen.
2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.
w.g. Van Altena w.g. Montagne
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2011
374.