ECLI:NL:RVS:2011:BU3402
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken feitelijke gezinsband
De vreemdeling verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) op basis van het feit dat hij tot het gezin van zijn referent behoorde. De minister wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was dat de vreemdeling feitelijk tot het gezin van de referent behoorde, mede omdat de referent slechts korte tijd met de vreemdeling in het ouderlijk huis verbleef voorafgaand aan haar vertrek uit Somalië.
De rechtbank had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. De minister ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat een kort verblijf voorafgaand aan het vertrek onvoldoende is om te concluderen dat de vreemdeling tot het gezin van de referent behoorde, zeker gezien de periode daarna waarin de referent zonder de vreemdeling verbleef.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens oordeelde de Afdeling dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt het belang van feitelijke gezinsbanden voor verblijfsvergunningen onder de Vreemdelingenwet 2000.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een feitelijke gezinsband.