ECLI:NL:RVS:2011:BU3710

Raad van State

Datum uitspraak
31 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201109947/2/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
  • J.A.W. van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 planvoorschriften bestemmingsplan Buitengebied Ambt DeldenArt. 9 eerste lid onder a planvoorschriften bestemmingsplan Buitengebied Ambt DeldenArtikel 8:81 Algemene wet bestuursrechtDienstenrichtlijn 2006/123/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom voor bedrijfsactiviteiten in strijd met bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente legde Desmepol B.V. een last onder dwangsom op om bedrijfsactiviteiten op het perceel aan de Langenhorsterweg 6 te Ambt Delden te beëindigen die niet gericht zijn op de fabricage van was-, zeep- en reinigingsproducten, met name de op- en overslag en bewerking van het product plastyn.

Desmepol maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college werd afgewezen. Vervolgens stelde Desmepol beroep in bij de rechtbank Almelo, die het beroep ongegrond verklaarde. Desmepol verzocht daarop de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter oordeelde dat de last onder dwangsom terecht is opgelegd, omdat de vervaardiging van plastyn en polymeren niet uitsluitend wordt gebruikt voor de fabricage van zeep-, was- of reinigingsproducten zoals voorgeschreven in het bestemmingsplan. De vraag of het bestemmingsplan in strijd is met de Dienstenrichtlijn kan in deze voorlopige voorziening niet worden beantwoord en zal in de bodemprocedure worden behandeld.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom aan Desmepol wordt afgewezen.

Uitspraak

201109947/2/H1.
Datum uitspraak: 31 oktober 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Desmepol B.V." (hierna: Desmepol), gevestigd te Ambt Delden, gemeente Hof van Twente ,
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 7 september 2011 in zaak nr. 11/36 in het geding tussen:
Desmepol
en
het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 augustus 2010 heeft het college naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van [5 belanghebbenden] (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]), Desmepol onder oplegging van een last onder dwangsom gelast om de bedrijfsactiviteiten op het perceel aan de Langenhorsterweg 6 te Ambt Delden (hierna: het perceel) die niet zijn gericht op de fabricage van was-, zeep-, en reinigingsproducten beëindigen en beëindigd te houden. Volgens het besluit wordt daarbij in het bijzonder gedoeld op de op- en overslag en bewerking van het product "plastyn".
Bij besluit van 23 november 2010 heeft het college het door Desmepol daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 september 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Desmepol daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Desmepol bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2011, hoger beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2011, heeft Desmepol de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 oktober 2011, waar Desmepol, vertegenwoordigd door R.A. Elizen BSc en mr. H.J.M. Willems-Damman, en het college vertegenwoordigd door mr. P. Braamhaar en drs. M.G.B. Kamst, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door M.H. Middelkamp en B.A.M. Geerdink, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Ambt Delden" rust op het perceel de bestemming "Bedrijfsbebouwing" met als doeleindenomschrijving "ZE".
Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangegeven gronden bestemd voor fabricage zeep/was/reinigingsproducten.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de onbebouwde grond en/of de daarop aanwezige bebouwing te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan het plan gegeven bestemming.
2.3. In hetgeen Desmepol naar voren heeft gebracht, kan geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat het college de bij besluit van 23 november 2010 gehandhaafde last onder dwangsom niet aan Desmepol heeft mogen opleggen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ter zitting is komen vast te staan dat Desmepol op het perceel plastyn en polymeren vervaardigt en zij niet aannemelijk heeft gemaakt, zoals de Afdeling ten aanzien van de productie van plastyn reeds eerder bij uitspraak van 27 augustus 2008 in zaak nr. 200707405/1 (www.raadvanstate.nl) heeft overwogen, dat deze stoffen uitsluitend worden gebruikt voor het ter plaatse fabriceren van zeep, was of reinigingsproducten als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften. Het vervaardigen van die stoffen is daarom in strijd met artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften.
De vraag of de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat artikel 9, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften buiten toepassing moet worden gelaten, wegens onder meer strijd met de Dienstenrichtlijn (2006/123/EG), leent zich niet voor beantwoording in deze procedure en zal in de bodemprocedure onderzocht moeten worden.
2.4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Leeuwen
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2011
543.