AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar verrekening omzetbelasting met openstaande aanslagen
De ontvanger der rijksbelastingen heeft in 1983 kennisgevingen verzonden aan appellant over verrekeningen van teruggaaf omzetbelasting met openstaande belastingaanslagen. Appellant maakte in 2009 bezwaar tegen deze verrekeningen, maar de Belastingdienst verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de verrekeningen geen bestuursbesluiten zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de burgerlijke rechter bevoegd is, aangezien de verrekeningen privaatrechtelijke rechtshandelingen betreffen. Appellant stelde dat de rechtbank ten onrechte niet inhoudelijk op het bezwaar is ingegaan.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat de verrekeningen hun grondslag vinden in de compensatieregeling uit het Burgerlijk Wetboek en geen publiekrechtelijke besluiten zijn. Daarom is de bestuursrechter niet bevoegd en is het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
201008049/1/H2.
Datum uitspraak: 9 november 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Beek en Donk, gemeente Laarbeek,
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 juli 2010 in zaak nr. 09/4723 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven.
1. Procesverloop
De ontvanger der rijksbelastingen heeft op 28 april 1983 en 30 mei 1983 kennisgevingen aan [appellant] verzonden inzake verrekeningen van teruggaaf van omzetbelasting met openstaande belastingaanslagen.
Bij besluit van 30 september 2009 heeft de Belastingdienst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 9 juli 2010, verzonden op 16 juli 2010, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 13 september 2010.
De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2. Overwegingen
2.1. De ontvanger der rijksbelastingen heeft op 28 april 1983 een kennisgeving aan [appellant] verzonden inzake de verrekening van een teruggaaf van omzetbelasting met een openstaande belastingaanslag ten bedrage van ƒ 5.057,00 (€ 2.294,77). Op 30 mei 1983 heeft de ontvanger der rijksbelastingen een kennisgeving aan [appellant] verzonden inzake de verrekening van een teruggaaf van omzetbelasting met twee openstaande belastingaanslagen voor een totaalbedrag van ƒ 5.591,00 (€ 2.537,09).
[appellant] heeft tegen deze verrekeningen bezwaar gemaakt bij brief, gedateerd maart 2009 en ingekomen bij de Belastingdienst op 2 april 2009.
De Belastingdienst heeft dit bezwaar bij besluit van 30 september 2009 niet-ontvankelijk verklaard, onder meer omdat de verrekeningen geen besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
2.2. Bij uitspraak van 21 oktober 2011 in zaak nr. 10/00578 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch de uitspraak van de rechtbank bevestigd wat betreft haar beslissing zich als belastingrechter onbevoegd te verklaren.
2.3. Hier is aan de orde de ongegrondverklaring van het beroep van [appellant] door de rechtbank gedaan als algemeen bestuursrechter. Hiertoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de verrekening van belastingschulden en -vorderingen ten tijde van belang moet worden aangemerkt als een privaatrechtelijke rechtshandeling. De rechtbank acht daarom de burgerlijke rechter bevoegd en heeft het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar ongegrond verklaard.
2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de zaak niet inhoudelijk heeft behandeld omdat de kennisgevingen over de verrekeningen vatbaar zijn voor bezwaar en beroep.
2.4.1. Dit betoog faalt. De verrekeningen waarop de kennisgevingen van 28 april 1983 en 30 mei 1983 zien, hebben hun grondslag in de compensatieregeling, destijds neergelegd in de Vierde Afdeeling van het Vierde Boek van het Burgerlijk Wetboek. Van een publiekrechtelijke grondslag is geen sprake. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de verrekeningen moeten worden aangemerkt als privaatrechtelijke rechtshandelingen en dat de desbetreffende beslissingen geen besluiten zijn als thans bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd te oordelen over verrekeningen als hier aan de orde. [appellant] kan niet worden gevolgd in zijn betoog het hogerberoepschrift door te zenden naar de burgerlijke rechter omdat artikel 6:15, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 6:24 vanPro de Awb, enkel ziet op het doorzenden van hogerberoepschriften naar de bevoegde bestuursrechter en niet naar de burgerlijke rechter.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.