ECLI:NL:RVS:2011:BU4540

Raad van State

Datum uitspraak
7 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201107070/3/H4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.19 WmArt. 8:81 AwbWet geurhinder en veehouderijWet milieubeheerAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen verklaring veranderingen veehouderij wegens geurhinder

Het college van burgemeester en wethouders van Bernheze gaf op 17 december 2010 een verklaring op grond van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer voor veranderingen aan een veehouderij op een perceel te Nistelrode. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze verklaring, stellende dat de veranderingen leiden tot meer geur- en geluidhinder nabij zijn woning. Na ongegrondverklaring van het bezwaar door het college, stelde verzoeker beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzitter oordeelde dat het college onvoldoende inzichtelijk had gemaakt dat de veranderingen, waaronder de aanleg van een mestput en twee sleufsilo's, niet zouden leiden tot meer geurhinder dan toegestaan. De Wet geurhinder en veehouderij was niet van toepassing op geurhinder door mestopslag, waardoor het standpunt van het college niet standhield. De voorzitter achtte aannemelijk dat de mestput meer geurhinder veroorzaakt dan de vergunning toestaat.

Op grond hiervan werd het besluit van het college geschorst bij wijze van voorlopige voorziening. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van verzoeker. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige toetsing van milieugevolgen bij vergunningverlening en de bescherming van omwonenden tegen nadelige milieueffecten.

Uitkomst: Het besluit van het college wordt geschorst wegens onvoldoende onderbouwing dat de veranderingen geen extra geurhinder veroorzaken.

Uitspraak

201107070/3/H4.
Datum uitspraak: 7 november 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,
en
het college van burgemeester en wethouders van Bernheze,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 december 2010 heeft het college een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer gegeven met betrekking tot veranderingen van de veehouderij op het perceel [locatie] te Nistelrode.
Bij besluit van 9 augustus 2011, verzonden op 16 augustus 2011, heeft het college het hiertegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 september 2011, beroep ingesteld. [verzoeker] heeft voorts de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 oktober 2011, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. C.A.M.J. de Wit, advocaat te Veghel, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. de Laat en A.M.G.J. Seelen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het in de Invoeringswet Wabo opgenomen overgangsrecht volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.
2.3. [verzoeker] voert aan dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de aan de orde zijnde veranderingen niet tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu leiden dan die de inrichting op grond van de daarvoor geldende vergunningen mag veroorzaken. Volgens hem leiden de veranderingen tot meer geurhinder en geluidhinder ter plaatse van zijn woning.
2.3.1. Ingevolge artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder voorwaarde dat:
a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;
b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zesde lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en
c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.
2.3.2. Voor de inrichting is op 4 juli 2005 een revisievergunning verleend en op 1 juni 2010 een veranderingsvergunning. De veranderingen ten aanzien waarvan het college de verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer heeft gegeven, bestaan uit een wijziging van een bij de veranderingsvergunning van 1 juni 2010 vergunde loods, het realiseren van een mestput onder deze loods en het realiseren van twee sleufsilo's voor de opslag van veevoer nabij deze loods.
2.3.3. De gemelde veranderingen leiden ertoe dat op korte afstand van de woning van [verzoeker] een mestput wordt gerealiseerd waar dit niet is vergund. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen hiervan zijn voor de ter plaatse van de woning van [verzoeker] als gevolg van de opslag van mest optredende geurhinder. Het standpunt van het college dat op grond van de Wet geurhinder en veehouderij geen verslechtering optreedt, omdat er geen dieren en geen dierenverblijven bij komen, doet niet ter zake, nu deze wet niet van toepassing is op geur vanwege de opslag van mest. De voorzitter acht aannemelijk dat de nieuwe mestput ter plaatse van de woning van [verzoeker] tot meer geur vanwege de opslag van mest leidt dan ingevolge de voor de inrichting geldende vergunningen is toegestaan, zodat reeds hierom moet worden geoordeeld dat het college de verklaring als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer ten onrechte heeft gegeven.
2.4. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bernheze van 9 augustus 2011 en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bernheze van 17 december 2010;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bernheze tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bernheze aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.
w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Grinsven
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2011
462.