Uitspraak
200704234/1), is de ruimtelijke ordening van het grondgebied van een gemeente een mede aan het college van burgemeester en wethouders toevertrouwd belang. Dit volgt onder meer uit diverse bepalingen in de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht. Gelet hierop dient het college naar het oordeel van de voorzitter als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van Pro de Awb te worden aangemerkt bij voornoemd besluit. Derhalve ziet de voorzitter in dit standpunt van de raad geen aanleiding het verzoek reeds hierom af te wijzen.
201006868/1/M2), staat artikel 6:13 van Pro de Awb er niet aan in de weg dat een appellant in beroep nieuwe gronden aanvoert met betrekking tot een besluitonderdeel dat hij in zijn zienswijze over het ontwerpbesluit aan de orde heeft gesteld. Naar voorlopig oordeel van de voorzitter heeft het beroep geen betrekking op besluitonderdelen die het college niet reeds in zijn zienswijze heeft bestreden, zodat niet de verwachting bestaat dat in de bodemprocedure het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Gelet hierop wordt in voornoemd standpunt van de raad geen aanleiding gevonden het verzoek daarom af te wijzen.
200808122/1/R3en van 2 december 2009 in zaak nr.
200901438/1/R3komt voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of sprake is van overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen, maar is het doorslaggevende criterium of voor de inwoners van een bepaald gebied een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun dagelijkse boodschappen en hun geregelde inkopen kunnen doen.