Art. 8:81 AwbArt. 19 lid 2 WroArt. 2.5.15 lid 1 onder b Bouwverordening gemeente Geldermalsen
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwvergunning voor acht woningen te Deil
Het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen verleende op 10 december 2009 een bouwvergunning eerste fase aan een vergunninghoudster voor het oprichten van acht woningen met bijgebouwen op percelen aan de Deilsedijk te Deil, onder vrijstelling van het bestemmingsplan "Deil 2006". Verzoekers, bewoners van Deil, maakten bezwaar tegen dit besluit, dat door het college en later door de rechtbank Arnhem ongegrond werd verklaard.
Tegen de uitspraak van de rechtbank stelde verzoeker hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht de voorzitter om een voorlopige voorziening. De voorzitter behandelde het verzoek en hoorde partijen tijdens een zitting. De kern van het geschil betrof de rechtmatigheid van de verleende vrijstelling en de bouwvergunning, met name de gevolgen voor parkeren, verkeersveiligheid en het welstandsadvies.
De voorzitter oordeelde dat geen aanleiding bestond om aan te nemen dat de vergunning onrechtmatig is of dat de vrijstelling niet zou worden gehandhaafd. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de parkeerbehoefte adequaat was ingeschat, dat geen onveilige verkeerssituatie zou ontstaan en dat het college het negatieve welstandsadvies redelijk mocht negeren vanwege verbetering van de leefomgeving. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 9 november 2011 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning voor acht woningen te Deil wordt afgewezen.
Uitspraak
201110878/2/H1.
Datum uitspraak: 9 november 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
[verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C], [verzoeker D] en [verzoeker E] (hierna tezamen in enkelvoud: [verzoeker]), allen wonend te Deil, gemeente Geldermalsen,
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 augustus 2011 in de zaken nrs. 10/4499, 10/4670 en 10/4698 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen (hierna: het college).
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 december 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, aan [vergunninghoudster] onder vrijstelling van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Deil 2006" (hierna: het bestemmingsplan) bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van acht woningen met daarbij behorende bijgebouwen op de percelen Deilsedijk 1-3 te Deil (hierna: de percelen).
Bij besluit van 3 november 2010 heeft het het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering en onder verlening van ontheffing krachtens artikel 2.5.15, eerste lid, onder b, van de bouwverordening van de gemeente Geldermalsen, ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 augustus 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door[verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2011, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
[vergunninghoudster] en Vabo Ontwikkeling b.v. hebben een nader stuk ingediend.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 oktober 2010, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. J. Kuik, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Theunissen en P.E.A. Broekmans, beiden werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar [vergunninghoudster] en Vabo Ontwikkeling b.v., beide vertegenwoordigd door mr. E.W.J. van Dijk, advocaat te Tiel, [gemachtigde] en R. van Arnhem, gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Op de percelen rust de bestemming "Wonen en dijkbebouwing" met de nadere bestemming "garagebedrijf". De bouw van de beoogde acht woningen en daarbij behorende bijgebouwen (hierna: het bouwplan) is daarmee in strijd, nu het merendeel van de woningen buiten het op de plankaart aangegeven bouwvlak zullen worden opgericht. Teneinde de gevraagde bouwvergunning niettemin te kunnen verlenen, heeft het college daarvan krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend.
2.2. In hetgeen [verzoeker] naar voren heeft gebracht, is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans uiteindelijk zal blijken dat geen vrijstelling en bouwvergunning eerste fase worden verleend mocht.
Daartoe wordt in aanmerking genomen dat de rechtbank in het in beroep aangevoerde naar voorlopig oordeel terecht geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat het college zich niet, onder verwijzing naar de parkeercijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek, zoals die zijn neergelegd in de Aanbevelingen Stedelijke Verkeersvoorzieningen 2004, op het standpunt heeft mogen stellen dat de toename van de parkeerbehoefte ten gevolge van de realisering van het project 1,9 parkeerplaats per woning bedraagt. Aangezien het bouwplan voorziet in de aanleg van 20 parkeerplaatsen, heeft het college niet ten onrechte geoordeeld dat als gevolg van de realisering ervan geen tekort aan parkeerplaatsen zal ontstaan. [verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de afstand tussen de op te richten woningen aan de Deilsedijk en het in het bouwplan voorziene parkeerterrein aan het eind van 't Griendje zo groot is, dat niet valt aan te nemen dat de bewoners van die woningen hun auto daar zullen parkeren.
Voorts heeft de rechtbank naar voorlopig oordeel terecht daarin evenmin grond gevonden voor het oordeel dat het college zijn oordeel, mede aan de hand van een bij het besluit van 3 november 2010 gevoegde verkeerstechnische studie, dat ten gevolge van de realisering van het bouwplan op 't Griendje geen onveilige verkeerssituatie zal ontstaan niet toereikend heeft gemotiveerd. Daarbij is van belang dat aannemelijk is dat het verkeer op 't Griendje hoofdzakelijk bestemmingsverkeer zal zijn.
Tenslotte heeft de rechtbank naar voorlopig oordeel in het in beroep aangevoerde terecht evenmin grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het het negatieve welstandsadvies van het Gelders genootschap van 4 april 2008 niet wenst te volgen, omdat ten gevolge van de realisering van het bouwplan een op het perceel gelegen garagebedrijf zal verdwijnen en dat de leefomgeving in de kern van Deil aanzienlijk zal verbeteren.
2.3. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.