Uitspraak
200901817/1/H3. Dat, als gesteld, door de weigering van de VOG geen inkomen kan worden verworven, doet hier niet aan af, reeds omdat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij slechts als taxichauffeur inkomsten kan verwerven.
Raad van State
De minister van Justitie weigerde op 23 februari 2010 de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) aan appellant voor een chauffeurspas. Deze beslissing werd bevestigd in bezwaar en door de rechtbank Amsterdam op 29 december 2010. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De beoordeling van de VOG-aanvraag vond plaats aan de hand van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de Beleidsregels VOG NP-RP 2008. De minister baseerde de weigering op meerdere geregistreerde verkeersdelicten van appellant, waaronder gevaarlijk rijgedrag, overtredingen van verkeerstekens en snelheidsovertredingen, waarvan sommige binnen de relevante terugkijktermijn van vijf jaar vielen. Ook was er een proeftijd van kracht.
Appellant voerde aan dat weigering hem werk en inkomen ontneemt en stelde geen recidivekans. De Raad oordeelde dat de minister terecht meer gewicht aan het risico voor de samenleving toekende dan aan het belang van appellant, mede vanwege de aard en hoeveelheid antecedenten en het beperkte tijdsverloop. Het betoog dat gedragingen niet aan appellant toerekenbaar waren, werd verworpen. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de verklaring omtrent het gedrag voor appellant vanwege verkeersdelicten en onvoldoende tijdsverloop om risico op recidive uit te sluiten.