ECLI:NL:RVS:2011:BU4577
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- R.J.R. Hazen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding na rechtmatige inbewaringstelling vreemdeling
Appellant werd op 4 juni 2008 in bewaring gesteld door de minister krachtens artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak verklaarden het beroep tegen deze maatregel ongegrond en wezen het verzoek om schadevergoeding af. Op 3 december 2008 werd de bewaring opgeheven.
Appellant stelde later dat hij ten onrechte in bewaring was gesteld, omdat hij op dat moment rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij verzocht de minister daarom om schadevergoeding, maar dit verzoek werd bij besluit van 3 januari 2009 afgewezen en het bezwaar daarop ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Afdeling overwoog dat artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 een bijzondere en exclusieve regeling voor schadevergoeding na opheffing van een vrijheidsontnemende maatregel bevat, waardoor een zuiver schadebesluit niet aan de orde is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding bevestigd.