ECLI:NL:RVS:2011:BU4583
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- R.J.R. Hazen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwijzing verzoek schadevergoeding na inbewaringstelling vreemdeling
Appellant werd op 17 oktober 2006 in bewaring gesteld krachtens artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat ten tijde van de inbewaringstelling geen reëel zicht op uitzetting bestond en dat hij ten onrechte was vastgehouden, mede omdat een later besluit erkende dat verwijdering naar Maleisië vanwege risico op verboden behandeling niet mogelijk was.
Appellant verzocht in 2009 om schadevergoeding, maar de minister wees dit verzoek af omdat het besluit tot inbewaringstelling niet onrechtmatig was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De Raad van State bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 een bijzondere en exclusieve regeling bevat voor schadevergoeding na opheffing van een vrijheidsontnemende maatregel. Een zuiver schadebesluit naast deze regeling is niet toegestaan. Daarom was de afwijzing van het verzoek terecht en behoefde het betoog van appellant geen verdere bespreking.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.