ECLI:NL:RVS:2011:BU5033
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vreemdelingenbewaring bij niet-naleving vertrektermijn en ontbreken identiteitspapier
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die de maatregel van vreemdelingenbewaring had opgeheven en schadevergoeding had toegekend aan de vreemdeling. De minister stelde dat het niet naleven van de vertrektermijn en het ontbreken van een identiteitspapier rechtvaardigen dat de vreemdeling in bewaring wordt gesteld, conform richtlijn 2008/115/EG.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het niet-naleven van de vertrektermijn in beginsel een gedraging is die duidt op het ontwijken of beletten van de terugkeer of verwijderingsprocedure. Dit uitgangspunt wordt ondersteund door eerdere uitspraken en is niet in strijd met de richtlijn of het arrest El Dridi van het Hof van Justitie. De minister heeft bovendien voldoende onderbouwd dat de vreemdeling geen inspanningen heeft verricht om een geldig identiteitspapier te verkrijgen.
De Afdeling verwierp de bezwaren van de vreemdeling omtrent het recht op rechtsbijstand en het ontbreken van een afweging van minder ingrijpende maatregelen. De enkele omstandigheid dat de vreemdeling een vaste woon- of verblijfplaats heeft en daarmee traceerbaar is, leidt niet tot het oordeel dat bewaring onrechtmatig is. Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.