Uitspraak
200901285/1. De minister heeft door deze strafbare feiten aan de weigering ten grondslag te leggen, geen oordeel gegeven over de vraag of [appellant] schuldig is aan deze strafbare feiten. De enkele verdenking van deze strafbare feiten biedt de minister, wegens het daaraan verbonden risico voor de samenleving als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wjsg, voldoende grondslag om een weigering op te baseren. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de strafbare feiten die in de justitiële documentatie staan geregistreerd, indien herhaald in de beoogde functie, een risico vormen voor het welzijn en de veiligheid van de aan de zorg van [appellant] toevertrouwde minderjarigen. De minister heeft in redelijkheid kunnen stellen dat minderjarigen met drugs en daarmee samenhangende criminele activiteiten in aanmerking kunnen komen.
200901817/1/H3, is de omstandigheid dat [appellant] door de weigering van de afgifte van de VOG de functie van leraar niet kan uitoefenen, een bij het vaststellen van de Beleidsregels voorzien mogelijk gevolg van die weigering en om die reden geen bijzondere omstandigheid in verband waarmee de minister niettemin tot afgifte van de VOG had moeten besluiten. Dat het vinden van ander werk niet eenvoudig zal zijn gezien de opleiding en leeftijd van [appellant] doet hier niet aan af, reeds omdat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij slechts als leraar inkomsten kan verwerven. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het maatschappelijk belang dan aan het persoonlijk belang van [appellant].